21 vragen aan… Ronald Giphart

Welk boek van een ander hij zelf wel geschreven had willen hebben? Voor Ronald Giphart was Zwagermans Gimmick ooit de ultieme eye-opener.

Wat was het leukste moment tijdens het schrijven van uw nieuwste roman?
Ik zou het niet zozeer als een leuk moment beschrijven, maar er zijn momenten geweest waarin het boek voor mij echt opsteeg. Dat zijn dan een soort euforische, melodramatische momenten waarop het lijkt alsof je even buiten jezelf treedt. Een daarvan is de hospice-scène. Ik had van tevoren met een hospice-medewerker gesproken en ben zelf een keer te gast geweest om voor te lezen aan iemand die op sterven lag. Drie dagen later was ze dood. Dat was ook heel indrukwekkend en hierna heb ik in twee weken de scène opschreven in een hut op de hei. Het was een hele maffe ervaring, ik had nog nooit eerder meegemaakt dat ik moest huilen om de dood van een personage dat ik zelf had bedacht.

Welk boek ligt naast uw bed?
The Overstory (Tot in de hemel) van Richard Powers. Een ongelofelijk knap boek. Een dik boek over negen personages die gedurende het verhaal naar elkaar toekomen en uiteindelijk door elkaar heen beginnen te leven. Het zijn allemaal verhalen die om bomen draaien. In een geval gaat het letterlijk om een kastanjeboom die ergens terechtkomt omdat iemand een kastanje liet vallen. Toeval dus. En wanneer alle kastanjebomen uitsterven, staat die boom er nog. Een ander voorbeeld is een Amerikaanse piloot in Vietnam die uit een vliegtuig moet springen, zijn parachute gaat niet goed open en hij wordt eigenlijk gered door een boom. Uiteindelijk komen die bomen op een ingenieuze manier bij elkaar.

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
Dat is een vraag die voor mij een beetje walmt naar romantiek en vergelijkbaar is met de vraag ‘Wat zou je aan je seksleven willen veranderen?’ De dingen die ik geschreven heb, heb ik geschreven. Als ik met de ogen van nu naar de boeken kijk die ik vroeger heb geschreven, dan vervullen die me altijd met veel plezier. Niet dat ik ze zo vaak lees of zoiets. Wat ik geschreven heb is gewoon af.

© Stephan Vanfleteren

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Gimmick van Joost Zwagerman. Toen ik Nederlands studeerde had ik de ambitie om schrijver te worden en bewonderde ik schrijvers zoals Jeroen Brouwers, maar ik kon zijn stijl niet overnemen. Ik had te veel ontzag voor hem. Zijn stijl is veel associëren, herhalen: een taalkunstwerk. En toen kwam Joost Zwagerman, een leeftijdgenoot, met Gimmick en daarvoor met De houdgreep. In zijn werk zat veel meer luchtigheid. Hij schreef in een bombastische stijl en met humor, vaart, vertelplezier, met geniepigheden en cynisme. Het was voor mij echt een eye-opener.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Ik vind dat heel moeilijk om te zeggen. In mijn schooltijd had ik gezworen dat Vestdijk er voor de eeuwigheid is, maar als ik aan mijn studerende zoon vraag of hij hem heeft gelezen, dan zegt Vestdijk hem niets. In mijn visie is literatuur een gebruiksartikel: schrijvers verwoorden hun individuele hoogstpersoonlijke gevoelens, in de hoogstpersoonlijke tijd waarin ze leven, en lezers consumeren dat. Als ik dit idee ergens tussen literatoren verwoord begint iedereen met de vinger te zwaaien, maar kunst, cultuur en muziek zijn er om ons te amuseren en om ons te leren over de wereld. En ik hoop en denk dat er over honderd jaar schrijvers zijn die aan die functie voldoen.

Wat is de beste sterfscène in een roman?
De dood is een grillige vijand. Soms komt de dood aangekondigd, dan kun je ernaartoe leven en soms komt de dood onverwacht. En dat gebeurt in ieders leven, dat je gebeld wordt en er is iemand overleden. In Sabbath’s Theater van Philip Roth overlijdt plotseling de minnares van de hoofdpersoon in een alinea. Ik las er bijna overheen – ‘godverdomme’, dacht ik even. Het was de beste omdat het voelde als een klap in mijn gezicht, ik werd met een knock out uit het boek gehaald.

Wie zijn uw favoriete dichters?
Ik lees veel poëzie, maar ik heb tegelijkertijd een haat-liefdeverhouding met poëzie. Ik vind gedichten toch vaak interessantdoenerij. Uitzonderingen zijn dichters zoals Rutger Kopland en Gerrit Kouwenaar. Want ik hou van verstilde, afgemeten en kleine poëzie. Geen bombarie. Mijn favoriete dichter is Ingmar Heytze, die ook het gedicht voor Alle tijd heeft geschreven. Hij is een Utrechtse dichter die tien jaar lang reisangst heeft gehad. Hij durfde Utrecht niet uit. Op heel veel gebouwen in de stad staan prachtige gedichten van zijn hand. Heytze is iemand die om zich heen kijkt en dat schitterend weet te verwoorden. Heldere taal, mooi poëtisch.

Welke schrijver is naar uw idee het meest overschat?
Niemand.

Welk boek is het meest overschat? En waarom?
Dat vind ik een heel vervelende vraag om te beantwoorden. Literatuur is hoogstpersoonlijk: wie ben ik om te zeggen dat een boek overschat is als iemand zich daardoor laat raken en als veel mensen het lezen? Of zoals Daniel Pennac ooit schreef: de lezer heeft altijd gelijk.

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
De jaren negentig. Dat vind ik de heyday van de menselijke beschaving. Tenminste in Nederland. We hadden een paars kabinet, we hadden de ideologische intellectuele veren afgewimpeld. Er was eindelijk een mooie samensmelting tussen high en low culture: die grenzen vervaagden. Er was een ontspannenheid, er was geen politiekcorrectisering van de samenleving. Er was dus een vrijmoedigheid van spreken. Daarnaast was er een enorme leescultuur, met name in Nederland. Ik heb dat als een prettige tijd ervaren.

Met welk van uw boeken heeft u de diepste band?
Ik heb drie kinderen en met welke van hen heb ik de diepste band? Ik heb met ieder boek een persoonlijke band. En als ik met een pistool tegen mijn hoofd aan het einde van mijn leven een boek mag kiezen dat over honderd jaar nog wordt gelezen omdat De Groene dat heeft bepaald, dan is het Harem. Dat boek gaat over een fotograaf en eigenlijk de strijd tussen het beeld en het woord. Ik wilde laten zien dat het woord krachtiger is dan het beeld door de foto’s van de fotograaf te beschrijven.

Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
Een scheikundige of bioloog, maar ik moet zeggen dat ik heel veel plezier heb in het interviewen van mensen.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een roodgeblokt laken, twee wijnglazen, een kaars. Obers in jacquet staan paraat. a) Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen? b) Waar zouden jullie het over hebben?
Met John Self uit Money van Martin Amis. Dat is zo’n onbehouwen klootzak, maar tegelijkertijd zo’n aimabele man. Puur om te kijken of het beeld dat ik van hem heb wel klopt. Het is dus een meervoudige persoonlijkheid: agressief en vervelend, maar tegelijkertijd sociaal genoeg om te weten dat als hij iets verkeerds doet, hij het goed kan maken met een bos bloemen. Een Trump-achtige figuur eigenlijk: the man we love to hate.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
De Decamerone van Boccaccio. In honderd verhalen beschrijft de Italiaanse auteur uit de veertiende eeuw hoe we zouden moeten leven. Tien jonge mensen vluchten voor de pest naar een afgelegen villa in Florence. Zij wachten daar tot de ziekte overwaait en ze vertellen elkaar iedere dag een verhaal. Die verhalen gaan allemaal over de liefde, omgang met macht, ouders en de toenmalige wereld. Het is een ongelofelijk wijs boek, een grappig boek. Toen ik het las was ik achttien of negentien en het heeft destijds mijn beeld van de liefde veranderd. Een van de boodschappen van het boek is namelijk: hou niet te veel vast aan je ego en de normen en waarden in de maatschappij, maar kies altijd onvoorwaardelijk voor de liefde.

Welke klassieker heeft u, tot uw grote schaamte, nooit gelezen?
Dubliners van James Joyce. Ooit aan begonnen, maar er zijn te veel boeken en er is te weinig tijd.

Murakami of Ishiguro? Murakami
Zadie Smith of Joan Didion? Zadie Smith
Austen of Woolf? Virginia Woolf
Ferrante of Knausgard? Ferrante. Wat ik zo mooi vind aan haar boeken is het sluimerende mysterie. Voor Knausgard mis ik het gen – mijn vrouw en vrienden lopen ermee weg – en ik kan ook niet zo tegen het gejank.
Maartje Wortel of Esther Gerritsen? Gerritsen
Harry Mulisch of Willem Frederik Hermans? Mulisch
Margaret Atwood of Jeanette Winterson? Winterson