21 vragen aan… Sander Kollaard

Als jochie werd Sander Kollaard (1961) ooit bijna gescout door Ajax. ‘Nou was ik een Feyenoord-fan, dus ik twijfel of ik überhaupt op een aanbieding was ingegaan.’ Afgelopen juni won Uit het leven van een hond de Libris Literatuurprijs 2020.

Wat was het leukste moment tijdens het schrijven van uw nieuwste werk, Uit het leven van een hond?
Eigenlijk alles, dit boek kwam heel makkelijk. Binnen tien pagina’s had ik de toon en melodie te pakken. Ik had een simpel idee: een wat oudere man met een oudere hond, en dan één dag lang. Geen gewichtig thema, geen gewichtig plot. Proberen te zien en te beschrijven wat er interessant is aan zo’n dag – van een doodgewone man, met een doodgewoon leven. Ik had geen schema, geen schetsen. Ik voelde een zekere euforie toen ik de toon had, maar ook angst en twijfel. Het begin laat ik altijd lezen door mijn vrouw, Susanna. Om voor het eerst te zien hoe iets valt. Dat is altijd spannend, maar gelukkig viel het goed.

Welk boek ligt naast uw bed?
Het boek dat ik lees heb ik altijd bij me. Nu is het Black Boy van Richard Wright, een autobiografie van een zwarte Amerikaanse schrijver die overleed in 1960. Ik zit nog midden in zijn jeugd, die zich afspeelt in het zuiden van de Verenigde Staten, in de tijd van de Jim Crow-segregatiewetten. Dat is ook de aanleiding. Ik had het boek al staan, maar door het gedoe in Amerika is mijn interesse aangewakkerd.

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
De halve wereldliteratuur. Titaantjes van Nescio komt het eerst in me op. Dat ontdekte ik al op zeventienjarige leeftijd. Af en toe herlees ik het, dat doe ik vaker bij Nescio. Hij haalt vaak een niveau waarvan ik denk: dat gaat mij nooit lukken. Jaloersmakend. Een groepje jongens zet zich af tegen de burgermansmaatschappij, maar langzamerhand worden ze er toch in gezogen. Zonder blikken of blozen vereenvoudigt Nescio hier en daar spelling – ‘dattie’, ‘zei-ie’. Maar dat stoort geen moment. Ik citeer hem vaak, zoals over de burgerman die ‘klaagt met een bek vol vreten’. Dat citaat is verrassend vaak bruikbaar.

Wie zijn uw favoriete dichters?
Fernando Pessoa is een grootheid. De Poolse dichteres Wislawa Szymborska, daar hou ik ook erg van. Sylvia Plath natuurlijk, de Amerikaanse dichteres die zelfmoord pleegde. Verder keer ik vaak terug naar individuele gedichten. ‘Het uur U’ van Martinus Nijhoff bijvoorbeeld. Een gedicht van K. Schippers – ik kan het niet citeren – dat gaat over zijn vader, die als jongen in de oorlog bleef treuzelen om naar zijn werk te gaan vanwege het liedje ‘Tea for Two’ op de radio. Daardoor mist hij zijn gewone tram. De laatste zin van het gedicht is: ‘In de volgende [tram] zat mijn moeder.’ Kleine samenloopjes van omstandigheden hebben grote gevolgen, weet K. Schippers.

Welke schrijver is naar uw idee het meest overschat?
De schrijver van de bijbel, dat lijkt me duidelijk. Een enorm overschat boek. Het heeft evident een grote rol gespeeld in de geschiedenis, maar is o zo beroerd geschreven. Het is duidelijk dat er nooit een redacteur aan te pas gekomen is, er gebeuren allemaal dingen die bij Van Oorschot nooit gepikt zouden worden. Zelfs de mooiste boeken, Prediker en Hooglied, bevatten zoveel herhaling, zoveel onbegrijpelijke wendingen. Als literatuur is de bijbel ernstig overschat. Na redigeren zouden er hooguit 150 bladzijdes overblijven en dan nog zou het nooit de Librisprijs winnen.

Welke schrijver of welk boek is het meest onderschat?
Het verhalengenre is erg onderschat. Er worden veel goede Nederlandse verhalen geschreven, maar die verdwijnen in literaire tijdschriften en worden bijna niet uitgegeven. Doodzonde, het verhaal is een speeltuin voor een schrijver, waarin andere vormen en thema’s kunnen worden uitgeprobeerd. Een mooie, vrije vorm die te weinig wordt gewaardeerd. Verhalen van Stephan Enter, in zijn bundels Winterhanden en Spel, behoren tot de beste die ik ooit las. Het is jammer dat er in Nederland niet zo’n traditie is als in Engeland en Amerika. In The New Yorker, The Atlantic – zelfs in Playboy werden literaire verhalen gepubliceerd.

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
Jaren zestig, zeventig van de vorige eeuw. Toen stond er meer op het spel, zo leek het, en gingen er nog wel eens een paar schrijvers met elkaar op de vuist. Dat gebeurt niet meer. De schrijvers die ik ken zijn allemaal heel vriendelijk en beleefd.

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: hij heeft een punt?
Ze hebben wel eens kritisch geschreven, maar ik heb nooit gevonden dat ze een punt hadden. Ik ben ‘te mijmerend, te filosofisch’, en dat klopt ook. Maar dat is een kwestie van smaak. Ik ben zo’n soort schrijver. Gewezen worden op feitelijke foutjes, zoals straatnamen, is wel vervelend. Een oud-docent, een strenge man uit Weesp, wees me op een paar van zulke foutjes in Uit het leven van een hond.

Wat is qua lezen uw ‘guilty pleasure’?
Maigret, de Franse politiecommissaris, van Georges Simenon. In Nederland zijn ze mooi uitgegeven in de jaren zestig en zeventig, in de Bruna-reeks. Mijn jongste zusje heeft er veel van. Die lees ik nog wel eens, hartstikke leuk.

Heeft u verborgen talenten?
Ik was een goede voetballer, als jochie. Bij VV Amstelveen is er ooit een scout van Ajax komen kijken. Maar daar heb ik nooit meer wat van gehoord. Nou was ik een Feyenoord-fan, dus ik twijfel of ik überhaupt op een aanbieding was ingegaan. Het bestaat nu niet meer, maar ik was een echte Ausputzer, een soort laatste man die nét even achter de verdediging speelde. Dat waren vooral stevige types, maar ik was erg klein.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een roodgeblokt laken, twee wijnglazen, een kaars. Obers in jacquet staan paraat.
Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen?

Harry ‘Rabbit’ Angstrom uit de vierdelige cyclus van John Updike. In het eerste boek heeft hij net een kind gekregen, en met ieder nieuw boek zie je hem opgroeien. Eigenlijk is het een portret van de Amerikaanse samenleving. Ik zou de Rabbit uit het laatste boek uitnodigen, om hem nog te treffen vóór zijn hartaanval.

b) Waar zouden jullie het over hebben?
Waarom hij nooit ophield met te veel snoepen, en waarom hij zo met open ogen richting zijn einde ging. Het lijkt wel alsof hij er naartoe wilde, naar de dood. Het zou overigens helemaal geen vruchtbaar gesprek worden, want daar is het de man niet naar. Updike zelf zou dat veel beter kunnen uitleggen. Over andere onderwerpen spreken zou leuker zijn, zeker met wijn in het spel. Al drinkt Harry meer van die Amerikaanse drankjes. Hij is ontzettend gulzig, en zegt geen nee tegen dingen. Updike’s boeken gaan echt over de Amerikaanse Burger King-samenleving, gezien vanuit een blanke man. Rabbit kijkt met angst in het hart naar zwarte Amerikanen. De boeken leren je op die manier veel over de Amerikaanse samenleving.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Ik pas er voor te zeggen wat wel en niet moet. Als er maar wordt gelezen. Smaak komt met de jaren wel. Achttienjarige mensen zijn enorme domoren, zonder uitzondering. Helemaal niet in staat om ook maar iets te leren. Leren van een boek op je achttiende is een sympathiek idee, maar totaal niet realistisch. Leren doe je door op je snufferd te gaan. Ik herinner me hoe ik was op die leeftijd – stronteigenwijs, totaal geen boodschap aan wat volwassenen zeiden. Maar toen ik afstudeerde was ik meteen werkloos. Daar sta je dan, met je goede cijfers en opvattingen, je hand op te houden. Dáár leer je iets van. Je moet iets van je eigendunk verliezen om bevattelijker te worden voor perspectieven van anderen.

Wat is het interessantste dat u onlangs van een boek geleerd heeft?
Ik lees nu non-fictie over de geschiedenis van de bijbel. Daar leerde ik iets over de tegenspraak in de vier evangeliën. Voor gelovigen een lastig probleem, want wat is waar en wat niet? Over wie Jezus tegenkomt en waar hij heen gaat na de opstanding bestaan grote verschillen. Maar dat is ook niet onlogisch, omdat het in het beste geval veertig à vijftig jaar later is opgeschreven, en dus van horen zeggen is. Ik kom telkens terug bij de bijbel, dat heeft te maken met een boek waar ik momenteel aan werk. Maar daar ga ik nog niks over vertellen.

Hemingway of Fitzgerald?
Fitzgerald, om The Great Gatsby.

Proust of Joyce?
Proust. Nou, wacht eens even. Ik dacht meteen aan Ulysses, maar dat hoeft helemaal niet. Een van mijn favoriete verhalen is The Dead. Toch maar Joyce, vanwege dat verhaal.

Camus of Houellebecq?
Houellebecq vind ik geweldig. Zijn personages zijn verschrikkelijk. Antipathiek, gemeen, laag bij de grond, plat. Maar zo goed. De drift waarmee die man schrijft, geweldig.

Zadie Smith of Joan Didion?
Didion, vanwege The Year of Magical Thinking.

Jane Austen of Virginia Woolf?
Virginia Woolf, een van mijn literaire helden.

Hockney of Warhol?
Hockney is echt prachtig.

Harry Mulisch of Willem Frederik Hermans?
Zodra ik ze begin te lezen krijg ik ruzie met ze. Met hun pedanterietjes en maniertjes. Dat tergt. Toch Hermans, vanwege Nooit meer slapen.

Haruki Murakami of Philip Roth?
Gelijkspel.