De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk vanavond om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

21 vragen aan… Sinan Çankaya

Antropoloog Sinan Çankaya zou het liefst met Meursault uit Camus’ De vreemdeling dineren aan de Seine en met hem in gesprek gaan over de absurditeit van het leven. Over de Centrumpartij, raciale categorieën en het jaar 2120. Çankaya’s literaire debuut Mijn ontelbare identiteiten verscheen in mei.

Wat was het interessantste moment tijdens het schrijven van *Mijn ontelbare identiteiten?*
Het interessantste was om in de geschiedenis van de Centrumpartij te duiken en meer te weten te komen over de rol van mijn oud-geschiedenisleraar Nico Konst in die partij. Tijdens die zoektocht ben ik erachter gekomen dat de Centrumpartij een inspiratiebron vormt voor hedendaags politiek rechts. De Centrumpartij politiseerde de islam reeds, en Wilders heeft zelfs uitspraken van Janmaat herhaald. Het schrijven van mijn boek was daardoor ook erg leerzaam.

Welk boek ligt naast uw bed?
Heel lang lag er The Prophet van Kahlil Gibran. Ik nam dan de verhalen, wijsheden, aforismen van tijd tot tijd tot me. Daarvóór lag De vreemdeling van Camus naast mijn bed, nu De vreemdelinge van Claudia Durastanti. Het sentiment van verlatenheid en existentiële eenzaamheid in dat boek spreekt me heel erg aan.

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
Mijn columns over racisme voor De Correspondent ergerden sommige lezers, er kwam zelfs agressie naar boven drijven. Ik werd daardoor feller in mijn stukken. De wijze waarop ik schreef hield raciale categorieën eerder in stand, dan ze onderuit te laten glijden. Eigenlijk wilde ik duidelijk maken dat ‘ras’ allesbehalve een vaststaande eenheid is. In mijn boek Mijn ontelbare identiteiten wilde ik nadrukkelijk die gelaagdheid tonen. Tegelijkertijd is er een vorm van witheid die enkel het gestrekte been verdient: het tegen agressie aanschurende paternalisme komt me de strot uit en zal ik niet relativeren.

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Recent het boek Ze hebben mijn vader vermoord van Édouard Louis. Prachtige literaire non-fictie die uitmondt in een pamflet. Ik heb de indruk dat literatuur met een politieke inslag niet wordt gewaardeerd, omdat literatuur vragen zou moeten opwerpen in plaats van ze te beantwoorden. Volgens mij kunnen ze prima samengaan. Dit boek was op een manier een leidraad tijdens het schrijven van Mijn ontelbare identiteiten.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
In het jaar 2120 wordt niemand uit het jaar 2020 gelezen, vrees ik. Ik heb het dan over tijdgenoten uit het Nederlandse taalgebied. Daarbij: lezen we in 2120 überhaupt nog?

Wat is de beste sterfscène in een roman?
Associërend denk ik aan The Things They Carried van Tim O’Brien, over de Vietnamoorlog. Niet zozeer vanwege de beste sterfscene; in de meeslepende, korte verhalen is de dood alomtegenwoordig, absurd, zinloos, achteloos. De soldaten wachten op de dood, lachen om de dood en vertellen erover om deze te bezweren. Dan is er de schaamte van de overlevenden: waarom ben ik er nog? Dit boek heeft diepe indruk op mij gemaakt.

Welke schrijver of welk boek is naar uw idee het meest overschat?
Op aanraden van iemand lees ik Portnoy’s Complaint van Philip Roth. Ik kom er niet doorheen, erger me aan de zeurderigheid van de hoofdpersoon en de humor slaat niet aan. Ik lees het nu om in slaap te vallen. Mijn probleem is dat ik niet van opgeven houd, dus ik zal en moet de eindstreep halen. Wat een kwelling.

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
Ik zou in het jaar 2120 willen schrijven. Sowieso ben ik ontzettend nieuwsgierig naar de toekomst. Hoe ziet het leven er dan uit? Herhalen we dezelfde domme fouten of leren we van de geschiedenis? Ik vrees het eerste. Maar ja; lezen we in 2120 nog?

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: hij heeft een punt?
Een recensent schreef over Mijn ontelbare identiteiten dat hij het onnodig vindt dat ik op bepaalde momenten filosofen, antropologen en sociologen aanhaal en citeer. Hij vindt dat dat het verhaal niet versterkt maar juist in de weg zit. Ik ben het daar deels mee eens. Maar tegelijkertijd wilde ik juist die mix van het wetenschappelijke en persoonlijke, het inzoomen en uitzoomen.

Wat is qua lezen uw ‘guilty pleasure’?
Af en toe een zelfhulpboek. Ja, ik vind dat erg, omdat ik meedoe aan iets waar ik kritisch op ben. De opkomst van zelfhulpboeken tekent onze neoliberale tijd; individuen zijn verantwoordelijk voor hun falen, gevoel van tekortschieten, gemis en verlatenheid. Toch heeft mijn ultieme zelfhulpboek een filosofische inslag: The Antidote van Oliver Burkeman. Hij bekritiseert ‘positief denken’ omdat die krampachtigheid ons ongelukkig maakt en houdt een pleidooi voor het omarmen van falen, het herinneren van de dood, en het leven als een stoïcijn.

Met welk van uw boeken heeft u de diepste band?
Met Mijn ontelbare identiteiten heb ik een heel diepe band. Het begon als een populairwetenschappelijk boek, maar ik ben veel meer uit de persoonlijke vertelling gaan schrijven. Ik heb de theorie op de achtergrond gehouden en heb die via het persoonlijke verhaal zichtbaar gemaakt.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een roodgeblokt laken, twee wijnglazen, een kaars. Obers in jacquet staan paraat.

a) Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen?
Meursault uit De Vreemdeling van Camus.

b) Waar zouden jullie het over hebben?
Over de absurditeit van het leven en, ondanks die absurditeit, dat wat het leven van waarde maakt.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Brieven aan een jonge dichter van Rainer Maria Rilke. Dat bestaat uit een verzameling levenswijsheden van Rilke aan een jonge dichter. Ik ontvang hartverwarmende berichten van jonge mensen die mijn boek hebben gelezen. Ze herkennen zich in het verhaal, voelen zich geïnspireerd door het idee van microrevoluties. Ook vragen ze mij om advies. Rilke schrijft: ‘Niemand kan u raad geven en helpen, niemand. Er is maar één enkel middel. Voel uzelf aan de tand.’ Naar binnen keren en beginnen met graven, dat is de weg.

Wat is het interessantste dat u onlangs van een boek geleerd heeft?
Recent heb ik Automating Inequality gelezen van Virginia Eubanks. Dat gaat over de steeds groter wordende rol van algoritmen in het nemen van bestuurlijke beslissingen. Die gecomputeriseerde risicotaxaties treffen arme mensen harder: ze worden meer in de gaten gehouden en gestraft. Het boek Algorithms of Oppression van Safiya Umoja Noble gaat in op algoritmen én raciale categorieën. Algoritmen gaan een cruciale rol spelen in de reproductie van sociale ongelijkheid. Dit is geen ver-van-ons-bed-show: denk aan de recente affaire bij de Belastingdienst, waarbij een tweede nationaliteit een risicocategorie vormde om mensen extra te controleren. Ongelijkheid en alledaags racisme zal nog minder expliciet zijn, nog minder tastbaar, zich nog meer verhullen en onzichtbaar worden. Probeer er dan nog maar een vinger achter te krijgen.

Welke klassieker heeft u, tot uw grote schaamte, nooit gelezen of gezien?
Ik wilde eigenlijk naar de filmacademie, maar ik heb dat nooit aangedurfd. Ik heb wel meegedaan aan een scenarioschrijftraject, waarvoor ik veel klassiekers heb gekeken. Toch heb ik films als Citizen Kane en Casablanca nog nooit gezien.

Camus of Houellebecq?
Sja, Camus, hè.

Murakami of Ishiguro?
Murakami.

Tolstoj of Dostojevski?
Dostojevski.

Zadie Smith of Joan Didion?
Zadie Smith.

Hockney of Warhol?
Warhol.

Wes Anderson of Michael Haneke?
Haneke.