21 vragen aan… Stephan Enter

Stephan Enter zou wel met Jevgeni Onegin aan een tafeltje aan de Seine willen zitten. ‘Ik heb een zwak voor mensen die op een flegmatieke manier cynisch zijn, mensen ook die onvatbaar zijn voor roem of aandacht. Mensen die met esprit alles relativeren.’

Wat was het leukste moment tijdens het schrijven van uw nieuwste roman?
Dat was, bij Pastorale, het schrijven van een scène over een kindernevendienst, een soort kerkdienst voor kleine kinderen. Mijn hoofdpersonage laat dat volledig ontsporen. Ze gaat tekeer tegen religie. Die scène is een bevrijding voor haar, maar ook voor mij. Ik had er tijdens het schrijven echt plezier in om haar ‘los’ te laten gaan. Bovendien voelde ik dat sommige gereformeerden er woedend over zouden worden. Dat is inmiddels ook al een paar keer gebeurd.

Welk boek ligt naast uw bed?
Op dit moment twee boeken. Gisteravond laat heb ik Irisches Tagebuch van Heinrich Böll uitgelezen en nu ga ik beginnen aan Collected Stories van Carol Shields, dat ik van een vriend heb gekregen. Daar ben ik benieuwd naar – het is altijd spannend een nieuwe auteur te leren kennen via iemand die zelf kritisch leest. De eerste zinnen waren alvast veelbelovend.

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
Tja, eigenlijk ben ik voortdurend aan het veranderen, net als Willem Frederik Hermans deed. In elke druk breng ik wijzigingen aan. Op zeker moment heb ik mijn roman Lichtjaren helemaal herzien. De plot is dezelfde gebleven, maar op zinsniveau heb ik veel aangepast – het ging van 318 naar 300 bladzijden. Het is nu strakker.

© Van Oorschot

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Over honderd jaar wordt er helemaal niet meer gelezen, vrees ik. We helpen de aarde momenteel op allerlei manieren in hoog tempo naar de knoppen, dus wie weet zijn we dan wel uitgestorven. Dat we dan geen romans meer lezen heeft dus niet met ontlezing te maken, maar simpelweg met het feit dat we niet meer bestaan.

Wat is de beste sterfscène in een roman?
Misschien uit een verhaal van Tsjechov, ‘Drie jaren’. De moeder van een jong meisje sterft. Ze loopt in paniek de straat op en roept om hulp, en dan wordt droogweg beschreven dat op de hoek van het plein een militaire kapel speelt. Dat vind ik zo’n fantastisch detail, omdat dat precies is hoe het in werkelijkheid gaat: de wereld gaat gewoon door, onverschillig over jouw verdriet. Tsjechov beschrijft dat perfect. Bij hem word je binnen een paar zinnen meegesleept met het lot van zijn personages.

Wie zijn uw favoriete dichters?
Ik lees weinig poëzie, maar een held van me is Chris J. van Geel. Je hoeft van hem maar een paar regels te lezen en je hebt het gevoel dat je op een heel onnadrukkelijke manier wordt gedwongen anders te kijken. Met Van Geel deel ik ook een fascinatie voor natuur, voor het observeren, al doe ik dat liever in proza. Als puber heb ik zelf wel poëzie geschreven, maar die zal het daglicht nooit te zien krijgen. Dat is beter voor mij en voor het daglicht.

Welke schrijver of welk boek is het meest overschat? En waarom?
Dan kom ik niet op een enkel boek, maar eigenlijk op de hele Amerikaanse literatuur van de afgelopen vijfentwintig jaar. Amerikaanse romans zijn vaak zo duidelijk op de actualiteit gericht, zo commercieel. Er zijn uitzonderingen, natuurlijk, zoals Harold Brodkey. Hij gaat heel diep in de psychologie. Andere Amerikaanse auteurs vervelen me al snel door hun oppervlakkigheid.

En welke schrijver is het meest onderschat?
Sander Kollaard. Hij krijgt uitstekende recensies maar wordt toch niet opgepikt door de jury’s van grote literatuurprijzen, niet eens voor de longlist. Terwijl Levensberichten écht het beste boek van 2018 was. Alles van Kollaard is steengoed.

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
Misschien in een ander land dan Nederland? Hier worden schrijvers toch vaak nog met een scheef kruideniersoog aangekeken. En dan zou ik in de jaren negentig actief willen zijn, de periode van vóór de opkomst van sociale media. Het was toen minder ADHD dan nu. Zelf heb ik nog altijd geen smartphone, maar anderen ontkomen er niet aan.

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: hij heeft een punt?
Eigenlijk niet. Tot nu toe heb ik kritische kanttekeningen in recensies altijd zelf ook al tijdens het schrijfproces bedacht, en er een beslissing over genomen. Zo kreeg ik naar aanleiding van Pastorale ergens de kritiek dat het einde van de roman wat onnadrukkelijk is. Maar ik wíl juist niet dat de roman met een enorme paukenslag eindigt. Het gaat mij om de psychologie. Dus die kritiek leg ik dan naast me neer.

Met welk van uw boeken heeft u de diepste band?
Dat is dan Pastorale, omdat ik het net heb losgelaten. Het is alsof je een klein kind nakijkt en je afvraagt of het op eigen benen kan staan. Maar de eerste reacties zijn positief. Het kind kan al behoorlijk lopen.

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
Ik kan vrij goed sporten, bijvoorbeeld hardlopen, schermen en wielrennen. Daar heb ik wat wedstrijden in gewonnen. Voor schaken had ik ook een zeker talent – er staat een remise tegen een grootmeester op mijn palmares.
Als ik niet zou schrijven zou ik het wel zien zitten om boswachter te zijn in bijvoorbeeld Midden-Noorwegen of Ierland.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een roodgeblokt laken, twee wijnglazen, een kaars. Obers in jacquet staan paraat.
Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen?

Jevgeni Onegin, de held uit de gelijknamige roman van Aleksandr Poesjkin. Ik heb een zwak voor mensen die op een flegmatieke manier cynisch zijn, mensen ook die onvatbaar zijn voor roem of aandacht. Mensen die met esprit alles relativeren. Onegin kan dat geweldig. Iedereen is gek op hem maar hij heeft lak aan populariteit, aan erbij horen.

Waar zouden jullie het over hebben?
Misschien wel over de futiliteit van literaire roem en hoe onnozel we zouden zijn als we daar waarde aan zouden hechten. Misschien wel over elk jaar voor zoiets als het Boekenbal te worden uitgenodigd en elk jaar opnieuw besluiten niet te gaan. Gewoon omdat we denken dat we ons daar zullen vervelen.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Op mijn dertiende las ik In de ban van de ring van Tolkien. Alles wat daarin groeit en de ruimte krijgt, is goed; overal waar de mens probeert de natuur onder controle te brengen, wacht de dood. Dat heeft me voorgoed bepaald. In de ban van de ring zou vandaag de dag op het schild geheven moeten worden door GroenLinks of de Partij voor de Dieren.

Wat is het interessantste dat u onlangs van een boek geleerd heeft?
Ik vond Irisches Tagebuch van Böll goed, maar op een zeker moment sloop zijn ijdelheid het boek binnen door de ietwat pompeuze manier waarop hij, als schrijver, het graf van Yeats bezocht. Je moet je ego weghouden uit je tekst. Door Böll werd ik daaraan herinnerd.

Hemingway of Fitzgerald?
Allebei hopeloos overschat.
Proust of Joyce?
Proust. Al vind ik ‘The Dead’ van Joyce een van de schitterendste verhalen uit de wereldliteratuur.
Tolstoj of Dostojevski?
Tolstoj
Jane Austen of Virginia Woolf?
Allebei. Twee grote helden die ik steeds herlees.
Harry Mulisch of Willem Frederik Hermans?
Hermans
Margaret Atwood of Jeanette Winterson?
Winterson