Stephan Sanders © Ivo van der Bent

Wat was het leukste moment tijdens het schrijven van Godschaamte?
‘Ik ben twee, drie jaar geleden serieus begonnen er een boek van te maken. En een groot deel van die tijd heb ik vooral gewanhoopt. Misschien had ik beter from scratch kunnen beginnen, in plaats van eindeloos te puzzelen met oude stukken. Maar de laatste maand kreeg ik plotseling vleugels. Ik zat als een gek te schrijven, kwam amper mijn huis uit, behalve af en toe voor de sportschool. De finish ruiken, dat was het leukst.’

In uw boek vergelijkt u uw geloof met uw homoseksualiteit. Wat zijn de overeenkomsten tussen de twee?
‘Vooral de schaamte. Toen ik mij als eind veertiger moest verhouden tot het religieuze van mijzelf kwam daar echt een onbehoorlijke hoeveelheid schaamte aan te pas. Ik zei toen tegen mezelf: dit soort gevoelens ken ik uit mijn jeugd, en die ga ik nou niet overdoen. Maar dat heb je nooit helemaal zelf in de hand. En misschien is schaamte wel de enige manier om tot iets te komen. Zelfs in deze tijd, in welwillende liberale gezinnen die bijna zoiets hebben van: ja doe het, word queer! – zelfs die tieners hebben last van ingebouwde schaamte. Je vindt het zelf gewoon gek als je vijftien bent. Maar dat leidt ook tot iets, omdat het je sterker maakt als je je eigen schaamte onder ogen kunt zien. Je hebt iets gedaan waar toch een klein beetje moed voor nodig is.’

U schrijft over zeer persoonlijke onderwerpen. Is dat wel eens moeilijk?
‘Nee, ik vind het niet moeilijk. Ik ben al heel lang columnist en dat is een soort living out loud. Ik kan dat werk niet doen zonder persoonlijke elementen te gebruiken. Maar het geeft mensen vaak wel het idee dat ze zomaar met mij over die persoonlijke zaken kunnen beginnen. Als lezer voelt het alsof ik het aan je vertel, maar ik heb natuurlijk niet het gevoel dat ik ook persoonlijk bij alle lezers van NRC of Trouw ben langsgegaan. Als we elkaar dan tegenkomen, altijd bij de Kipster-eieren in de Lidl, zit ik er niet per se op te wachten dat je me vraagt: goh, jij bent nu in de Heer, hè?’

Hoe ziet uw schrijfproces eruit?
‘Ik schrijf elke dag wel iets. Niet elke dag heel veel, en soms verwijder ik de dag daarna alles weer. Als kind schreef ik al elke dag briefjes aan mijn moeder. Ik zou niet weten wat ik anders zou moeten, als ik hier niet mijn baan van had kunnen maken. Ja, zanger worden, klassiek geschoold, maar daar ben ik nu te oud voor. Schrijven hoort voor mij bij het leven.’

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
‘Ik heb ooit een novelle geschreven over de aids-periode, De grote woede van M. Het was fictie, maar tegelijkertijd had ik in die tijd ook een goede vriend die aan aids leed en ging het eigenlijk over ons. Hij was doodziek, het was niet duidelijk of hij het zou gaan overleven. Ik had het boek aan hem opgedragen, met naam en toenaam. En ik heb het in die tijd wel aan hem laten lezen, en hij vond het mooi. Maar toen het boek uitkwam, vond hij het verschrikkelijk. Ik heb toen gezegd: luister eens, je hebt ermee ingestemd. Dat zou ik nu anders doen. Het leven gaat voor de letter.’

Met welk van uw boeken heeft u de diepste band?
‘Gek genoeg toch ook met die novelle, De grote woede van M. Eigenlijk vind ik dat het meest geslaagde fictiewerk dat ik heb geschreven. Die aids-tijd was voor mij als homo nog veel rampzaliger dan corona. Mensen, jonge mensen, gingen meteen echt dood. Dan ging je uit en vroeg je: ‘Goh, waar is Arnold?’ En dan was het: ‘Oh, wist je het niet? Hij ligt in het ziekenhuis, het gaat niet goed.’ Dat boek gaat over hoe wij het seksuele bevrijdingsidee van ons af moesten leggen: seks was geen bevrijding, seks was de dood. Dat riep bij mij een enorme woede op. Over alle valse beloftes die gedaan waren door vorige generaties.’

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: hij heeft een punt?
‘Ja. Dat was een recensie van mijn roman Liefde is voor vrouwen. De recensent schreef: het is te boos, je hebt te weinig afstand genomen. Dat vond ik toen belachelijk, want ik was nog boos. Ik vond het juist rauw, en eerlijk, en authentiek. Maar daar had ze gewoon gelijk in. Ja, héél soms hebben recensenten gelijk.’

Geeft schrijven energie of kost het energie?
‘Het kost ontzettend veel energie. Na een dag naar mijn scherm kijken ben ik echt fysiek moe. Maar het geeft ook energie. Als ik in een sombere bui ben en ik schrijf een stukje, dan geeft me dat een dot geluk die ik niet snel met iets anders kan krijgen. Zeker in deze tijd van lockdowns helpt schrijven tegen de eenzaamheid. Omdat je dan toch iets beleeft.’

Wat is het beste schrijfadvies dat u ooit gekregen heeft?
‘Gewoon blijven zitten. Blijven zitten tot het af is. Dat kan natuurlijk niet bij een boek, dat duurt wat te lang. Maar blijf heel lang zitten, dan komt er altijd iets. En dan is er nog een advies dat ik mezelf altijd geef: je weet het al. Soms loop ik te zoeken naar een onderwerp voor een column, maar de ideeën zitten er allang in. Je moet er alleen achter komen wat je op dit moment het meest raakt.’

Wat voor boeken las u vroeger graag?
‘Als kind was mijn lievelingsboek een boek van Jaap ter Haar, over Tuffy, het radiomannetje. En later Reve, heel veel. Als twintigjarige vond ik – wellicht uit een licht snobisme – ook Foucault echt leuk om te lezen. Maar ik lees alles. Ik kan me herinneren dat ik op vakantie was in Griekenland en te weinig boeken bij me had. Werkelijk elk snippertje papier wat ik vond, pakte ik op. Dat kan ik lezen! Maar dat kon ik helemaal niet lezen, want Nieuwgrieks is toch echt iets heel anders dan Oudgrieks. Ik had een letterbehoefte, zoals mensen een vreetbehoefte kunnen hebben.’

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Holzfällen, van de Nederlands-Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard. Dat is één uitgesproken monoloog eigenlijk, van een pagina of tweehonderd. Dat boek heeft mij enorm geraakt. Ik wist niet dat je zo kon schrijven.’

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
‘De Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee. Hij schrijft een soort gek, keihard, gevoelig proza. Bijna chirurgisch. Je wordt er heel ongemakkelijk van en je kunt er niet bij wegdromen. Maar het is op een niet eerder bekende manier heel indrukwekkend. Het is bijna alsof het je een klap voor de kop geeft, maar dan wel op een hele gestileerde manier.’

Welke schrijver of welk boek is het meest overschat?
‘Het complete werk van Connie Palmen.’

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Op weg naar het einde van Gerard Reve. Voor iedereen die van lezen houdt.’

Wat zijn uw ‘guilty pleasures’?
‘Ik ben een slechte slaper en als ik wakker lig, lees ik echt alles wat ik voor handen krijg. Twee dagen geleden was het een boek over egyptologie. Vier dagen geleden was het Louis Couperus. Verder houd ik ontzettend van suffe series. First dates bijvoorbeeld. En een van mijn favoriete televisieprogramma’s is Dreamhouse in the Country. Ontzettend tuttig is dat. Heerlijk.’

Jane Austen of Charlotte Brönte?
‘Jane Austen.’

Ferrante of Knausgård?
‘Ferrante. Knausgård vind ik vreselijk.’

Maartje Wortel of Esther Gerritsen?
‘Esther Gerritsen.’

James Baldwin of Virginia Woolf?
‘James Baldwin.’

Annie M.G. Schmidt of Tonke Dragt?
‘Annie M.G. Schmidt. Ik weet eigenlijk niet of ik Tonke Dragt wel gelezen heb. Jip en Janneke ken ik tenminste.’

Harry Mulisch of Gerard Reve?
‘Mulisch is vulisch, Reve, da’s pas leven!’