21 vragen aan… Wessel te Gussinklo

Wessel te Gussinklo (1941) noemt zichzelf een Russische ziel, verwant aan Dostojevski. Over zijn in september verschenen boek Op weg naar de Hartz schreef recensent Maaike Meijer: ‘Deze roman wordt een klassieker, zoals De donkere kamer van Damokles.’

Wanneer wist u dat u schrijver wilde worden?
Ik was nooit zo met literatuur bezig als puber. Interesseerde me niet. Ik wilde filosoof of psycholoog worden, zoiets. Helemaal per ongeluk, toen ik net 22 was, begon ik een verhaaltje te schrijven. Plotseling, zomaar, schoot het uit mij voort. Mijn schrijverschap ontwaakte toen. Ik wist opeens: ‘Verdomd, dit is het. Dit wil ik met mijn leven.’

Wat was het mooiste moment tijdens het schrijven van Op weg naar de Hartz?*
Er zijn helemaal geen mooie momenten tijdens het schrijven. Zorgelijk ga je van de ene dag naar de andere. ‘Mijn god, zal het vandaag wel lukken?’ Gelukkig is er mijn vrouw Odilia die dan zegt: ‘Laat eens horen. Ja, het valt wel mee.’

Is dit uw meest dierbare boek? Of heeft u met een ander boek een diepere band?
Je laatste boek is je om de een of andere manier het meeste lief, maar gelijktijdig dat waar je de meeste afschuw van hebt. Je weet niet hoe of wat, maar het had beter gemoeten. Ik weet nog dat ik tegen Odilia zei: ‘Het zou kunnen dat ik misschien toch iets te gemakzuchtig ben geweest.’ Maar grosso modo ben ik behoorlijk tevreden. Anders had ik het niet losgelaten.

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
Dat zou ik niet weten. Je hebt altijd voor ogen dat het beter had gekund. Neem Chopin, die zijn polonaises componeerde en dan opeens dacht: ‘Dit is helemaal niks. Rotzooi,’ en het geheel in de prullenbak smeet. De volgende dag keek hij dan toch maar in die prullenbak en dacht: ‘Ja, dit is toch wel leuk. Toch maar even afmaken.’ En dan later: ‘Nee, klopt helemaal niks van’. Weer weggooien. Soms voltrok dit ritueel zich wel vier keer. Uiteindelijk aanvaardde hij dan dat dat het hoogst haalbare was. Iets soortgelijks heb ik ook met mijn boeken. Een volmaakte schrijver, een schrijver van hemelse en universele krachten, had het wellicht anders gedaan. Ik zou niet weten hoe.

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: hij heeft een punt?
Nee. Zij schrijven zelden wat kritisch. Ik ben nogal gespaard in de loop der tijden. Behalve dan bij De verboden tuin. Er waren mensen zoals Tom van Deel, die het een raar, mislukt boek vonden. Daar was ik berustend in: ‘Tja, zo kun je het ook zien.’ Je hebt een stijl die sommigen binnen- en anderen buitensluit.

Welk boek ligt momenteel op uw nachtkastje?
Momenteel eigenlijk weinig. Ik heb wat zitten lezen in Marieke Lucas Rijneveld, daar heb ik zo mijn aarzelingen bij. Een hoop lawaai, is mijn indruk, een hoop spektakel zonder dat het een bepaalde grens van doorleefdheid passeert. Meer vorm dan inhoud. Maar ik lees weinig, langzaam, en let op kleine dingen: ‘Waarom heeft hij daar een puntkomma staan in plaats van een streepje?’ De formele kant van de zaak leidt mij al snel af. Bovendien wil ik niet te veel rondspoken in de bewustzijnen en werelden van anderen.

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Misschien iets van Dostojevski, maar dan zou ik het nooit in die stijl gedaan hebben. Die stijl ligt me totaal niet. Maar zijn emoties, zijn temperament: een verwante ziel.

Welke klassieker heeft u nog nooit gelezen?
Doordat ik zelf een Ewout Meyster-reeks geschreven heb, zal het je misschien verbazen dat ik de Wilhelm Meister-boeken van Goethe nooit gelezen heb. Ik hoorde laatst weer van een vriend dat het lollige boeken zijn. Jammer, het komt er gewoon niet van.

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
Ik heb in mijn puberteit een tijdlang geschilderd. Voor mijn schilderijen kreeg ik weleens een slof sigaretten. Of 25 gulden, in die tijd een hoop geld. Ik vond het allemaal leuk en aardig, maar wilde mijn leven er niet aan besteden. Ik had het gevoel: dat is te leeg voor me. Met de literatuur kan ik tot het uiterste gaan om uit te beelden wat het is om te bestaan, om te leven, om te zijn. Daar de essentie van geven.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Iets van Sartre. Die filosofie interesseert me eigenlijk niks, maar die evocatieve beelden, dat was een schok der herkenning. De walging, het kleverige, het betrapt worden, de ik-wording. Plotseling ontdek je dat je eigen emoties de moeite waard zijn, kwaliteit hebben en helemaal niet idioot zijn. Ik dacht: ‘Ik moet wel een ziek-gestoorde geest hebben want ik zie allemaal dingen die andere mensen niet zien. Die zijn allemaal argeloos zichzelf en aardig en fatsoenlijk, terwijl ik onbegrijpelijk ben.’ Sartre verloste mij van een gevoel van totale eenzaamheid tijdens mijn puberteit.

Welke schrijvers vindt u het meest onderschat?
Witold Gombrowicz, een zeer groot schrijver.

En overschat?
Dat zijn er nogal wat, hoor. De hele Amerikaanse literatuur vind ik sterk overschat. En de Engelse eigenlijk ook.

Wie zijn uw favoriete dichters?
Vasalis, Neeltje Maria Min en Hendrik Marsman. Toen ik een jaar of achttien was werden er nog wel eens gedichten voorgelezen op de radio, op heel pretentieuze wijze gebeurde dat. Ik herinner me nog dat er een keer gedichten van Marsman langskwamen. Spontaan liepen de tranen over mijn wangen. Ik dacht: ‘Godverdorie, wat is dat mooi. Ik weet niet wat het is, maar dit is het.’

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Adrie van der Heijden, Oek de Jong, Frans Thomése, Thomas Rosenboom, Peter Buwalda en Jeroen Brouwers, zeker de Brouwers van rond 1980 met Het verzonkene en Bezonken rood. En ikzelf natuurlijk – daar kom ik niet onderuit.

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou het zijn?
Misschien in de negentiende eeuw, in Rusland. Toen literatuur nog in het ongerepte land zat en de ploeg in de grond gezet kon worden. Het land ontginnen. Dat had ik waarschijnlijk toch zeer aantrekkelijk gevonden. Mijn Duitse vertaalster zei ooit tegen me: ‘Wat doet zo’n Russische ziel in Nederland?’ Dat exuberante. Ik heb een on-Nederlands temperament. Louis Ferron zei ooit tegen me: ‘Wessel, je gaat steeds meer op Moessorgski lijken.’ Een bij ons beiden geliefd componist. Een enorme dronkelap… Net als Ferron zelf, en ik, al was ik toen net gestopt.

Freud, Jung of Lacan?
Jung, door zijn betrokkenheid bij de oosterse filosofieën. Al is Freud van een groter kaliber.

Mulisch of Hermans?
Mulisch

Mann of Hesse?
Thomas Mann

Proust of Joyce?
Proust. Joyce beging de weg van de modernistische experimenten waarbij techniek en stijl steeds belangrijker werden. Maar daarmee ging hij voorbij aan het raadsel van de werkelijkheid. Meer techniek dan inhoud.

Hemingway of Fitzgerald?
Hemingway

Austen of Woolf?
Moeilijk, maar ik denk toch Austen. Een groot deel van haar romans lijdt aan de bigotterie van die tijd, maar Pride and Prejudice is geweldig, een meesterwerk.