21 vragen aan… Wim Willems

De wereldwandelaars: jonge mensen die aan het begin van de twintigste eeuw besluiten op sandalen de wereld rond te lopen. Bevangen door de idealen van het socialisme, vegetarisme en geheelonthouding. Schrijver en hoogleraar geschiedenis Wim Willems (1951) beantwoordt 21 vragen.

Hoe is het boek De wereldwandelaars tot stand gekomen?
Al die tijd was het materiaal van de wereldwandelaars op een zolder blijven liggen, om tien jaar geleden te worden overgedragen aan het Joods Historisch Museum, vanwege de achtergrond van Bram Mossel, die vermoord is tijdens de holocaust. Toen ik het materiaal zag dacht ik meteen: dit verdient een boek. Jonge hemelbestormers op sandalen. Uit de Schilderswijk, voor een dubbeltje geboren. Dat sprak me meteen aan. Ik weet hoe moeilijk het is om je milieu te ontvluchten. Hoe hebben zij dat gedurfd, honderd jaar geleden, toen dat nog veel lastiger was? Waar kwamen hun idealen vandaan? Ook wilde ik weten: wat is er van hen geworden? Daarvoor heb ik, net als zij, uithoeken van de wereld bezocht.

Hoe heeft u uw oorspronkelijke milieu weten te ontvluchten?
Dat was ingewikkeld. Ik ging gewoon op mijn zestiende werken. Na de mulo, de hoogst haalbare opleiding voor een zoon van een metselaar. Ik was jongste bediende bij een verzekeringsmaatschappij, dus geen fysiek werk. Ik praatte zo plat als Jacobse en Van Es. Binnen een jaar was ik dat kwijt. Toen ik van iemand het boek Turks fruit kreeg, heb ik dat twee keer walgend in de hoek gegooid. Ik kon de codes van de literatuur, van kunst, niet kraken. Pas later leerde ik ‘achter de spiegel’ te kijken. Rond mijn achttiende ontmoette ik meisjes die meer in mij zagen dan ik in mezelf. Zij stimuleerden me om naar het avondatheneum te gaan. Mijn jeugd was niet warm, niet stimulerend. Ik heb mijn ouders bij mijn successen proberen te betrekken: mijn promotie, een vol theater bij de presentatie van mijn boek Stadskind. Maar voor hen is de vraag ‘wat is dit allemaal?’ altijd gebleven.

Wat was het mooiste moment tijdens het schrijven van De wereldwandelaars?
Ik ben naar Israël gegaan om de kleindochter van een van de wereldwandelaars, Frans van der Hoorn, te ontmoeten. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog is hij vast komen te zitten in Palestina. Zijn brieven ademen een ongelofelijke verscheurdheid. Hij miste zijn geliefde Jeane in Nederland. Hij had een melancholische inborst, maar wist toch een nieuw leven op te bouwen en werd opnieuw verliefd. Een man van hartstochten. Hij vond zijn hang naar gemeenschap terug in het zionisme. Wanneer ze bedreigd worden door een groep bedoeïenen pakt hij een geweer, schiet en vindt dat gerechtvaardigd. Een ongelofelijke geschiedenis. Toen ik bij zijn graf stond, en uitkeek over een vlakte met in de verte Libanon, dacht ik: ‘Hier ligt hij echt.’ Een ontroerend moment.

En het moeilijkste moment?
Ik had het boek eerst chronologisch geschreven. Het werkte niet, dat zag ik zelf ook, alleen wist ik niet wat ik moest doen. Gelukkig heb ik een hele goede uitgever, Annette Portegies, die mij stimuleerde om het ‘op te breken’. Dus ging ik af en toe terug in de tijd, een literair principe dat heel goed werkte.

Wat is uw meest dierbare boek?
Ik ben niet op veel dingen trots, maar wel op Stadskind. Dat gaat over de eerste twaalf jaar van mijn leven. Een kroniek van de jaren vijftig en vroege jaren zestig. Daarin heb ik persoonlijke verhalen vervlochten met de sociale geschiedenis. Het was een serie voor de Haagsche Courant, later uitgegeven in boekvorm. Het heeft duizenden mensen in beroering gebracht. Lezers stuurden en masse ook hun eigen herinneringen in. Ik kan er nog steeds stupéfait over zijn dat het is gelukt om die jaren ‘terug te halen’. Want mijn jeugd bestaat uit flitsen in de duisternis.

Als u iets zou veranderen aan eerder werk, wat zou het dan zijn?
Tijs Goldschmidt schreef zijn proefschrift Darwins hofvijver, over baarsjes in de Nijl, Darwin en het ecosysteem, op een heel persoonlijke manier. Toen dacht ik: Waarom heb ik mijn dissertatie over zigeuners niet ook opnieuw geschreven voor een breed publiek?

Welke recensie van uw werk is u het meest bijgebleven?
Dirk van Weelden schreef een schitterend stuk over Mensen van de reis, dat handelt over woonwagenbewoners en zigeuners. Zijn betovergrootvader liep ooit als landarbeider van Brabant naar Rotterdam, waar hij zijn geluk beproefde als waterstoker. Voor hetzelfde geld had hij besloten om scharensliep te worden. ‘Zo klein was destijds het verschil tussen wielen en een huis.’ Al die mensen met een ambulant beroep zijn stelselmatig genegeerd door de geschiedenis, en met de nek aangekeken door de samenleving. Heel bijzonder dat een recensent, via zijn familiegeschiedenis, zo de essentie van het boek belichtte.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
De eerste drie delen van de Anton Wachter-romans van Simon Vestdijk. Uitstekende boeken voor het breukvlak naar het jongvolwassen worden.

Wat ligt er momenteel op uw nachtkastje?
Werk van Elizabeth Strout, een heel bijzondere ontdekking.

Zijn er klassiekers die u tot uw schaamte nog nooit gelezen heeft?
Het bekende rijtje. Proust, Musils Mann ohne Eigenschaften, Ulysses. Allemaal niet doorheen gekomen. Maar ik schaam me er niet voor. Intussen heb ik een leeftijd bereikt waarop ik denk: Als ik het niet goed vind…

Wat is de mooiste sterfscène in een roman?
Uit The World According to Garp. Garp heeft twee zoontjes: Walt en Duncan. Er is een idiote scène waarin zijn vrouw met een minnaar in een auto zit vlak voor hun huis, ze wil van hem af want hij is veel te bedreigend voor hun relatie. Ze zuigt hem nog één keer af. En terwijl ze dat doet komt haar man aanrijden met hun twee zoontjes en die heeft de gewoonte de auto, met lichten en motor uit, de oprit, die iets naar boven loopt, op te laten glijden. Maar hij botst dus tegen de auto voor hem aan. Hij, zij, die minnaar, het zoontje Duncan: allemaal zwaargewond. Maar de hele tijd vraag je je als lezer af: wat is er met Walt gebeurd? Totdat je hoort dat hij gestorven is. Dat hoofdstuk begint met de zin: ‘Ik mis hem zo.’ Ik voelde echt met Garp mee, en heb hevig gehuild om die scène.

Welk personage uit de wereldliteratuur zou u het liefst voor een diner uitnodigen? Waar zouden jullie het over hebben?
Met Tjalie Robinson (Vincent Mahieu), geen personage uit een roman, maar een schrijver. Over Indië is veel op een heel stereotype manier geschreven. Als je Tjalie’s verhalen leest, dan realiseer je je dat pas, omdat die wél van binnenuit zijn geschreven. Ik heb een biografie over hem gemaakt. Toen Tjalie terugkeerde uit de Japanse kampen lukte het hem niet om bij zijn vrouw terug te komen. Hij werd verliefd op iemand anders, op Lilian Ducelle. Hij schreef haar veel brieven. In diezelfde periode, tussen 1946 en 1949, ontwaakte zijn schrijverschap. Hoe is dat gegaan? Lilian heeft mij die brieven ooit laten zien, maar zei: ‘Die gaan met mij mee de kist in.’ Ik weet zeker dat zij een rol heeft gespeeld in de geboorte van zijn stem als schrijver. Er kwam een moment van zo’n groot vertrouwen dat Lilian zei: ‘Je mag een paar brieven lezen.’ Maar een week later had ze zich alweer bedacht. Ik zou Tjalie willen vragen: Ik ben een groot deel van mijn leven met je bezig geweest. Wát gebeurde er in die periode dat je Lilian leerde kennen? Wat is er in de kampen gebeurd? Uit welke diepte kwam die stem naar boven? Vertel het me.

Wie zijn uw favoriete dichters?
Ik heb geen werkelijke affiniteit met poëzie, maar er zijn een paar uitzonderingen: Pablo Neruda, Omeros van Derek Walcott en Psalmen van Leo Vroman.

Wie is uw favoriete historicus?
De enige die als schrijvend historicus echt een bron van inspiratie was, is Frits van Oostrom met Maerlants wereld. Een narratief bouwen, kennis vergaren, terwijl je weinig weet. Een klein oeuvre van Maerlant. Vervolgens ga je ringen er omheen maken. Het hofleven, Floris de Vijfde, het Roomse Rijk, de ontwikkeling van de literatuur. Uiteindelijk blijk je dan heel veel te kunnen vertellen.

Reve, Hermans of Mulisch?
Reve

A.F.Th. of Grunberg?
Van der Heijden

Camus of Houellebecq?
Twee schrijvers die niet meegaan in de rugzak van mijn leven.

Sartre of De Beauvoir (als romanciers)?
Duidelijk De Beauvoir.

Atwood of Winterson?
Jeanette Winterson

Tolstoj of Dostojevski?
Tolstoj, volgens mij is er nooit een beter boek geschreven dan Oorlog en vrede.

Murakami of Ishiguro?
Eigenlijk beiden niet. Dan Ishiguro vanwege Remains of the Day. De film eigenlijk, met Anthony Hopkins. Briljant. Mannen in films die in zichzelf opgesloten zitten en zich niet kunnen uitdrukken ontroeren mij ten diepste.