21 vragen aan … Yolanda Entius

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn? en twintig andere vragen aan Yolanda Entius. Haar nieuwste roman Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny verscheen in oktober bij uitgeverij Van Oorschot.

Welk boek ligt naast uw bed?
Het boek der rusteloosheid van Pessoa vind ik het mooiste boek dat naast mijn bed ligt. Vanwege de rusteloosheid, goed voor naast je bed ook. Het is bijzonder dat Pessoa zoveel heteroniemen heeft zodat hij telkens een nieuwe bron kan aanboren die zich niet laat vervuilen door de andere vaatjes. Er is een liedje van Raymond van het Groenewoud: ‘Het moet af, helemaal af, tot op het bot, dichter bij god, het moet af, helemaal af.’ Toen ik hoorde dat dat over Pessoa ging dacht ik: oohja… dat klopt precies. Hij was een perfectionist.


Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
Rakelings is een samengestelde roman waarin vijf gezichtspunten elkaar net raken. Eén van de kernen van dat verhaal is een man die zijn zoontje verliest bij een busongeluk. In Rakelings weet de man dat er een dode is, maar lange tijd niet dat dat zijn zoontje is. Ik heb ervoor gekozen om een zusterboek te schrijven waarin het verhaal van de andere ouders rondom dat busongeluk wordt verteld: De gelukkigen. In het zusterboek gaat het over de mensen rondom dat busongeluk. Ik heb het zo geschreven dat je de boeken naast elkaar kunt lezen. Veel mensen begrepen dat niet. Later dacht ik: is dat nou handig? Het was achteraf toch beter geweest om de boeken bij elkaar te voegen als een tweeluik.

© Van Oorschot

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Als ik bij een boek denk ‘dat had ik zelf kunnen schrijven’, dan vind ik het een slecht boek. Een boek moet eigen aan de schrijver zijn. De verhalen zijn beperkt, dus het gaat erom met welke blik de schrijver het verhaal benadert. Ik zou De vreemdeling van Albert Camus geschreven willen hebben. De man die de vreemdeling is én ‘per ongeluk’ een vreemdeling neerschiet, is een rare gast. Toch is hij diep menselijk en herkennen we onszelf in hem. Tenminste ik wel, al zou ik niet een Algerijn neerschieten, maar waarom hij dat wél deed weet hij zelf ook niet.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Daar zouden we nog wel eens raar van staan te kijken. Misschien zijn dat niet de mensen die nu in de schijnwerpers staan, maar de mensen die trouw blijven aan zichzelf. Niet dat de mensen die nu veel gelezen worden ontrouw zijn, maar het zou me niks verbazen als die over honderd jaar niet meer gelezen worden.

Wie zijn uw favoriete dichters?
Judith Herzberg. Twee weken geleden stond er een prachtig stukje van Arnon Grunberg in De Groene over haar. Waar hij met ongrunbergiaanse bescheidenheid zich heel kwetsbaar opstelt, en terecht. Het ontroerde me echt hevig. Judith Herzberg is in staat om achter het kleine het grote te suggereren. Om de dingen verborgen te houden en te bezielen. Ik voel me ook een beetje als Grunberg nu, dat ik niet zo veel over haar durf te zeggen. Ze houdt er ook helemaal niet van.

Welke schrijver of welk boek is het meest overschat? En waarom?
Pieter Waterdrinker vind ik echt totaal overschat. Tsjaikovskistraat 40, wat vind ik dat een verschrikkelijk boek. Het stond heel lang op de bestsellerlijst, maar zo ontzettend banaal en oppervlakkig. Het boek barst van de ronkende volzinnen. Soms lees ik een hit om te kijken wat mensen nou mooi vinden. Dus begon ik vol enthousiasme aan Acht bergen van Paolo Cognetti. Ik mag graag wandelen in de bergen, dus het onderwerp lag me. Nou, het ene cliché na het andere: sentimentele romantiek over bergen waar de honden geen brood van lusten. Ik snap wel dat het lekker weg leest, maar dat iedereen het dan geweldig vindt: I don’t get it.

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
Ik denk in ieder geval een tijd van voor sociale media. Vlak voordat de seksuele revolutie begon, net voordat iedereen lekker gek gaat doen. Op dat moment staat er iets te gebeuren. Maar bijna dan een soort Bij nader inzien-romantiek: voor je kacheltje met micaruitjes en dan maar discussiëren over literatuur alsof de rest van de wereld niet bestaat, maar toch wel weer heel erg over de rest van de wereld praten. Er was toen nog een vrolijke manier van verzetten en in opstand komen. Ik ben in 1979 naar Amsterdam gekomen. Toen was er nog net veel mogelijk. In de jaren tachtig slaat het al snel om en wordt het een zelfgenoegzame bedoening. Een mentaliteit van: als ik het zelf maar leuk heb, met een vervelend soort rijkdom en kleurloze kabinetten.

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: hij heeft een punt?
Van Koen Eykhout over mijn tweede boek Alleen voor helden. De kop was ‘Alleen nog een leeuwerikspiegel’. Zijn kritiek was dat het boek al te af was, te braaf. Daar dacht ik: misschien heb je wel gelijk. Er zat iets glads aan het boek, het gaat allemaal naar één punt; ik liet me niet omver stoten. Maar soms is het wel goed om dat wél te laten gebeuren en een andere kant op te gaan. Dat je denkt: ja het klopt allemaal, maar er is geen ruis of gekkigheid.

Wat is uw ‘guilty pleasure’?
Vroeger keek ik As the World Turns als ik trainde. Het was echt verslavend. Als ik dan op vakantie ging, nam ik me voor om het nooit meer te kijken. Het is toch een half uur op een dag. Maar toch elke keer was ik weer benieuwd hoe het ging met Carly. En verdomme, ik zat er nog niet vijf minuten in of ik bleef toch kijken, en de volgende dag weer, en de volgende dag weer. Dat heb ik jaren gedaan. Het is op een gegeven moment van de buis gehaald, toen werd het opgevolgd door Dr. Phil. Daar kon ik ook echt van smullen. Toen ben ik verhuisd en heb ik mijn televisie weggedaan. Nu luister ik radio tijdens het trainen.

Met welk van uw boeken heeft u de diepste band?
Het kabinet van de familie Staal, dat moest ik echt schrijven. Mijn vader ging dood. Nee, mijn vader bleek dood te zijn. Ik kwam er per ongeluk achter dat mijn vader overleden was en ook dat dat al anderhalf jaar daarvoor gebeurd was. Mijn ouders had ik al vijftien jaar niet gezien, die hadden gebroken met hun kinderen. Ze hadden in al hun wijsheid besloten dat hun kinderen niet mochten weten dat hij overleden was en niet op de begrafenis aanwezig mochten zijn. De familie daaromheen had de opdracht gekregen dat zij niks mochten doorvertellen aan ons en daar hebben zij ook naar gehandeld. Uiteindelijk heb ik het van een nichtje gehoord. Toen dacht ik: nou moet ik maar eens over mijn gezin gaan schrijven.

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
Heel vroeger wou ik danseres worden, maar daar zou ik de bouw niet voor hebben gehad. Dat bleek later pas. Ik wist nooit zo goed wat ik wilde worden, maar wist wel dat ik iets ging worden. Ik was nog niks, maar zou het wel worden. Ik ben begonnen als actrice. Ik ben later nog de hoveniersopleiding gaan doen. Als ik dat eerder had gedaan was ik misschien wel iets gaan doen in de landschapsarchitectuur. Ik heb ook films gemaakt. In wat ik doe ben ik altijd wel een zwerver geweest.

Schrijven is eenzaam en ik doe ook graag dingen in een groep. Maar als ik me echt eenzaam voel, dan kan ik wel schrijven. Wanneer ik ernaar kan kijken, dan is er iemand die bekeken wordt en iemand die kijkt. Die huizen weliswaar in hetzelfde lichaam, maar we zijn toch met z’n tweeën.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een roodgeblokt laken, twee wijnglazen, een kaars. Obers in jacquet staan paraat.
a) Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen?

Liever niet, maar misschien iemand uit George Eliot – Middlemarch. Er is een vrouw die gaat trouwen met een man. En hij heeft allemaal plannen om een boek te schrijven, maar het is een nitwit.

b) Waar zouden jullie het over hebben?
Had je dat nou wel moeten doen? zou ik zeggen. Ga dat boek zelf schrijven! Ik zou het er wel over willen hebben hoe dat nou allemaal zit.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Tsjip/De leeuwentemmer van Willem Elsschot. Op de laatste bladzijde zit Tsjip op zijn opa’s arm. Opa laat de tuin zien aan Tjsip en houdt een pleidooi dat je altijd op moet staan voor de onderdrukking en altijd moet vechten. Hij houdt dat zo vurig dat ik dat niet met droge ogen kan lezen. Ik weet wat hij gaat zeggen en wat er gaat komen, maar toch elke keer breek ik.

Wat is het interessantste dat u onlangs van een boek geleerd heeft?
Ik lees tuinboeken, daar leer ik veel van. In Frankrijk heb ik een moestuin en bloementuin.

Welke klassieker heeft u, tot uw grote schaamte, nooit gelezen? / welke filmklassieker nooit gezien?
De Ilias van Homerus. Hij ligt naast mijn bank. Het is het verhaal der verhalen. Kinderen van vrienden van mij hebben dat gelezen toen ze dertien waren en vinden dat allemaal geweldig. Dan moet ik hem toch ook wel eens lezen. De bijbel heb ik ook niet gelezen. Maar de dingen die moeten, zijn natuurlijk alleen daarom al niet meer zo leuk.

Camus of Houellebecq?
Camus! Wat denk jij!

Murakami of Ishiguro?
Murakami heb ik verslavend veel gelezen. Ishiguro ken ik iets minder goed, maar Never Let Me Go vond ik erg mooi.

Tolstoj of Dostojevski?
Tolstoj, vroeger Dostojevski. Tolstoj mag je ook op je achttiende lezen.

Harry Mulisch of Willem Frederik Hermans?
Hermans, Mulisch heb ik een pishekel aan.

Arnon Grunberg of A.F.Th. van der Heijden?
Grunberg.

Maartje Wortel of Esther Gerritsen?
Alle twee.