23. de krachtmeter

‘Omdat ik zo'n klein opdondertje ben, was ik bij gymnastiek nergens goed in. Behalve in touwklimmen. Misschien dat ik daarom zo'n hang heb naar boven, naar de bergen. Daar vind je geen tegenstander, zoals bij de meeste sporten. Een berg is iets dat zo onnoemlijk veel krachtiger is dan jij. Winnen doe je nooit. De tegenstander ben je zelf. Dat spreekt mij enorm aan. Bovendien houd ik van kou. Warmte maakt me moe en lusteloos. Kou scherpt je, maakt je wakker, haalt het beste uit je.

Klimmers zijn sterke individuen. De drang telkens maar weer je geliefden achter te laten om met gevaar voor eigen leven een berg te beklimmen, dat is nogal een keus die je maakt. Op het egoistische af. Maar als je dan op het platje van de Mount Everest staat, weet je: dit is de hoogste plek van de aarde. Met mijn benen kan ik niet hoger op de aarde staan dan hier. Overigens vond ik in de Himalaya ook een top die er uitzag als een speervormig kristal, zo spits dat ik er alleen mijn hand op kon leggen. De kolossale energie waarmee zo'n berg gebouwd is, die brandde zo door mijn hand heen. Jezus, besef je, wat een kracht zo'n berg is!
Natuurlijk is klimmen levensgevaarlijk. Tijdens een afdaling van de K2 moest ik een keer uitwijken voor een paar vallende stenen. Dan spring je gewoon maar in een gat. Daar denk je echt niet over na, totdat je met een aantal gebroken botten ondersteboven aan een touw bungelt. Mijn hele linkerkant deed het niet meer en in eerste instantie denk je: ik vries hier gewoon dood. Maar ja, als je aan je zwakke dingen denkt, red je het niet. Dus dan doe je toch je rugzak af en maak je jezelf vast aan de berg. De pijn die dat kost, is onbeschrijflijk, maar je kan het wel. En je doet het ook, omdat je anders sterft. Dat is een prachtige energie, daar zit bijna bovenmenselijke kracht in. Maar nadat zeker tien intieme vrienden van me in de bergen waren omgekomen, sommigen vrijwel onder mijn ogen, ben ik een paar jaar geleden gestopt met klimmen. Mijn beschermengelen hadden genoeg overuren gemaakt.
Momenteel organiseer ik een pooltocht. De noordpool is precies het tegenovergestelde van een berg: een platte zee van vierduizend meter diep met een vliesje er overheen. Ook de tao ervan, de “weg” van de pool, is heel anders. Bij het klimmen maak je continu omtrekkende bewegingen, totdat je op de top bent. Op de pool sleep je gewoon negenhonderd kilometer lang je spullen achter je aan. De kracht van die weg is heel anders - ik ben benieuwd wat die mij kan leren.
Ik maak mijn kennis ten nutte door voor het bedrijfsleven allerlei cursussen te geven in ademhalingsoefeningen, grondingsmethoden en reiki: allemaal manieren om beter in je energie te zitten en daardoor liefdevoller met elkaar om te gaan. Tegelijkertijd is het heerlijk om te weten dat er in de natuur plekken zijn die zo krachtig zijn dat ze me doen beseffen waarom ik adem. Helaas vind je die niet in het met lelijke nieuwbouwwijkjes dichtgegroeide Nederland. Weet jij waarom je ademt? Daar denk je niet eens meer aan.’