Niet eerder in de afgelopen vierenhalf jaar sleepte Victor (35) zich met zoveel lood in de schoenen de afdeling chirurgie op als die herfstachtige maandagochtend. Wat moest hij zeggen? Waar moest hij kijken? Iedereen die hij tegenkwam wist het. Er was ook geen weg terug sinds de mail die hij de avond ervoor met een brok in zijn keel naar bijna honderd stafleden stuurde; al zijn collega-chirurgen, de verpleegkundigen, het ondersteunend personeel. Maar nu hoefde er tenminste geen misverstand te bestaan over zijn besluit en werd er niet geroddeld in de wandelgangen.

De operatie die gepland stond voor die dag kon hij net zo goed overslaan, grapte zijn begeleider. ‘We hoeven jou nu toch niks meer te leren.’ Andere collega’s wilden juist een knallend afscheid verzorgen en lieten hem de spannende ingrepen doen. Ze zeiden: we maken er wat moois van, nu het nog kan.

Na bijna elf jaar studeren hing Victor deze herfst zijn witte jas aan de wilgen, een jaar voor het einde van zijn opleiding tot oncologisch chirurg. Hij genoot van het opereren, daar lag het niet aan. Hij kon lachen met zijn collega’s. Zijn opleiders zagen in Victor een getalenteerde en bevlogen chirurg. Juist daarom weet hij nog goed hoe hij zich voelde, die maandagochtend na de mail. ‘Ik schaamde me en had het gevoel dat ik gefaald had. Mijn opleider selecteerde mij uit een enorme groep jonge artsen die ook dit pad wilden bewandelen. Hij legde zijn vertrouwen in mij en toch besloot ik weg te gaan.’

We spreken elkaar in Victors nieuwe huurhuis. Tevreden vertelt hij over het optrekje dat hij samen met zijn vriendin – ook arts in spe – heeft bemachtigd. Twee witte katten kroelen over het tapijt. Vroeger, vertelt hij, deed het hem allemaal niet zoveel, al die nachtdiensten, de lange dagen in het ziekenhuis, de weken waarin hij soms wel zeventig uur werkte. Maar naarmate hij iets ouder werd, zijn vriendin ontmoette en ze samen hun serieuze kinderwens uitspraken, begon er iets te knagen.

Wilde hij die vader zijn die zijn kinderen niet zou zien opgroeien? Vond hij zijn werk daar belangrijk genoeg voor? Er zijn zoveel leuke dingen in het leven, realiseerde hij zich. Daar heeft hij straks geen tijd voor als chirurg. Althans, niet als het moet zoals alle chirurgen om hem heen het doen. ‘Vlak voordat ik stopte, zei ik tegen mijn begeleider: als je mij over een half jaar kunt aannemen voor drie dagen per week, blijf ik. Hij moest lachen en zei: nou Victor, dat is een droom.’

Of hij meer jonge dokters kent met twijfels over een carrière in het ziekenhuis? Victor draait zich om naar zijn vriendin, die verderop op de bank zit. De acht vriendinnen met wie ze haar geneeskundestudie doorbracht zijn inmiddels arts. Allemaal hadden zij tijdens hun studie de wens om in het ziekenhuis te werken, en allemaal stelden ze later hun mening bij. Ze werden verpleeghuisarts, huisarts, of doen iets in de ggz. Ook Victors vriendin wilde specialist worden, maar weet inmiddels niet meer zeker of ze haar leven wil geven aan het ziekenhuis.

Met Victor vertrekken steeds meer jonge dokters uit het ziekenhuis. Sommigen hebben dan al een paar jaar gewerkt als specialist, maar velen stoppen al daarvoor, tijdens de vervolgopleiding. Meer dan één op de tien artsen in opleiding tot specialist (aios) valt uit, blijkt uit onderzoek van belangenvereniging De Jonge Specialist. In sommige vakgebieden loopt dat zelfs op tot 25 procent. Nog eens één op de vier aios overweegt regelmatig om te stoppen. In deze fase hebben jonge dokters minstens acht tot vijftien jaar in hun carrière gestoken, zijn ze vaak de dertig gepasseerd en heeft de overheid al bijna een miljoen euro in hun opleiding geïnvesteerd. Twee derde van deze uitstromers gaat daarna als arts buiten het ziekenhuis aan het werk, wijst onderzoek van promovendus Kirsten Dijkhuizen en onderwijskundige Jacqueline Bustraan uit.

Wat hun opbreekt is een complexe mix van een snel veranderend zorglandschap en de conservatieve ziekenhuiscultuur. Zo blijft er door de hoge administratielast en de alsmaar groeiende druk op de zorg steeds minder tijd en aandacht over voor de patiënt. Bovendien zijn de tijden van garantie op een baan allang vervlogen. De flexibilisering van de arbeidsmarkt heeft ook de medische wereld bereikt en de jonge specialist van tegenwoordig zwerft jarenlang door het land, op zoek naar een vaste aanstelling.

De ouderwetse mores van het ziekenhuis sluiten bovendien niet meer aan bij de nieuwe generatie dokters. De hiërarchische meester-gezelverhouding tussen ervaren en beginnende artsen en de moeilijkheden rond het stichten van een gezin zijn slechts enkele kenmerken van een systeem dat krampachtig vasthoudt aan een achterhaalde werkethiek en weinig feministische sociale codes.

En dat schuurt bij jonge dokters. Hun identiteit is meer dan hun baan en hun wereld groter dan het ziekenhuis. Zij zíjn geen arts, maar werken als arts. Belangenverenigingen en deskundigen maken zich zorgen: als de randvoorwaarden van het specialistenvak niet veranderen, is het maar de vraag hoelang het ziekenhuis de jonge dokter nog kan vasthouden.

Mare Lensvelt (41) moest en zou vaatchirurg worden. Met medestudenten die ze hoorde klagen over ‘de werk-privébalans’ had ze vijftien jaar geleden weinig op. ‘Ik wilde gewoon chirurg worden’, vertelt ze in een koffietentje in de buurt van het Amsterdamse amc. ‘Ik dacht: dan werk ik toch tachtig uur in de week? Ik had het ervoor over.’ Ze lacht als ze aan haar spreekuren denkt. Haar vaatpatiënten noemt ze ‘echte bourgondiërs’. Ze eten, drinken en roken te veel en weten waarom ze ziek zijn. Haar poli’s hadden de sfeer van een goed gesprek in een bruin café.

En toch is ze gestopt. Na pas zeven jaar als specialist te hebben gewerkt. In september begon ze met een communicatiebaan bij een start-up voor Virtual en Augmented Reality. ‘De dokter mag steeds minder dokteren’, vat ze haar voornaamste klacht samen. Tijdens haar korte loopbaan als chirurg zag Lensvelt de ziekenhuiszorg veranderen. Zo drastisch zelfs, dat het haar werkplezier begon te overschaduwen.

Ze heeft de overgangsperiode van papieren statussen naar het elektronisch patiëntendossier nog meegemaakt en zag het vanaf dat moment misgaan. Eerder werkte de secretaresses haar gedicteerde OK-verslagen uit. Ze was toen zes keer zo snel klaar met haar verslag en er stonden meer details in dan nu ze het zelf moet typen. In haar nieuwe baan als communicatieadviseur besteedt ze mínder tijd achter haar computer dan toen ze nog arts was. En dan stond zij als chirurg nog regelmatig op de OK. ‘Mijn patiënten verdwenen naar de achtergrond’, zegt ze. ‘Daar ben ik geen dokter voor geworden.’ Lensvelt mist de sfeer bij de chirurgie, de hechte groep collega’s en de spanning van het opereren. ‘Maar ik heb nog geen seconde spijt gehad van mijn besluit.’

Zij en haar leeftijdsgenoten markeren een omslagpunt. Als veertiger beschouwt Lensvelt zichzelf als een schakel tussen twee generaties dokters. Ze kan het niet vaak genoeg benadrukken: zij híeld van haar vak, en koos bewust voor een loopbaan die offers vergt. Maar terugblikkend op de hordes die ze heeft moeten nemen in de afgelopen twintig jaar, realiseert ze zich dat chirurg zijn nog echt een way of life is, een vak dat qua arbeidsomstandigheden is afgestemd op de werkende man, met thuis een vrouw die de kerstcadeaus koopt en de kinderfeestjes regelt. Sinds een paar jaar ziet ze jongere collega’s daarmee worstelen, en ze begrijpt het. Want de vrouw die zich vroeger zou schikken naar de carrière van haar man, is inmiddels zelf specialist. En de mannelijke dokter wil ook tijd met de kinderen doorbrengen. Daar heeft het ziekenhuis nog steeds geen passend antwoord op.

‘Eigenlijk was ik altijd de grote afwezige’, zegt ze, terugblikkend op de afgelopen jaren. ‘Ik heb de eerste woordjes en stapjes van mijn beide kinderen gemist omdat ik aan het werk was.’ Ook haar echtgenoot is specialist, en dus zag hun gemiddelde week er ongeveer zo uit: om kwart voor vier stond Lensvelt op om te sporten, dan lopen met de hond en om vijf voor zeven samen naar het ziekenhuis. Als ze thuis kwamen hadden de kinderen al gegeten met de au pair. Hun tweewekelijkse weekenddiensten deden ze om en om, zodat er iemand thuis was voor de kinderen. Ze leefden op hun agenda, alle afspraken werden drie maanden van tevoren vastgelegd. Hij werkte met kerst, zij met oud en nieuw. Door haar nieuwe functie hoefde Lensvelt dit jaar met de feestdagen niet te werken, voor het eerst sinds twintig jaar.

‘Ze praten niet over dé patiënt, maar over hún patiënt. Dat is typisch iets voor oudere dokters’

‘Internist-oncoloog’ staat op het pasje dat aan de borstzak van Chantal du Perrons (35) witte jas bungelt. Het is een vreemd contrast met de plek waar ze sinds kort werkt; in het revalidatiecentrum naast het Zaans Medisch Centrum rijden ouderen in rolstoelen door de gangen. Du Perron twijfelde of ze hier wel met haar specialistentitel te koop moest lopen. Ze werkte immers niet meer als oncoloog in het ziekenhuis waar ze haar opleiding een jaar geleden afrondde. Hier deed ze ‘maar’ het werk van een basisarts. ‘Ben je gek!’ riepen haar nieuwe collega’s. ‘Die titel mag je met trots dragen. Medisch specialisten zien we hier niet vaak!’

Het is een pijnlijk punt voor haar, de stap úit het ziekenhuis. Op z’n minst was het niet hoe ze zich haar carrière had voorgesteld. Maar toen na haar opleiding tot internist bleek dat er nauwelijks vacatures zijn en ze maanden werkloos thuis zat, maakte ze de overstap naar de ouderenzorg. Daar is haar expertisegebied – palliatieve zorg – goud waard.

Zou ze een half jaar geleden nog een moord hebben gedaan voor een baan als specialist, met de wijsheid van nu weet ze niet of ze nog zou solliciteren als er een plek vrij zou komen in het ziekenhuis.

Du Perron is het afgelopen jaar haast een beroemdheid geworden binnen de medische wereld. Zij sprak zich op LinkedIn als een van de eersten en weinigen uit over de werkloosheid onder jonge specialisten. Even later stonden de kranten er bol van: honderden jonge specialisten komen sinds ongeveer een jaar niet aan het werk, terwijl de druk op de zorg alleen maar toeneemt, evenals het aantal artsen dat kampt met stress- en vermoeidheidsklachten. Een reservoir van zo’n zesduizend basisartsen wacht nog op een opleidingsplek en die groep zal de komende jaren blijven groeien, berekende het Capaciteitsorgaan. Chantal du Perron was een van die jonge ‘klaren’, samen met voornamelijk veel andere internisten, chirurgen, orthopeden en radiologen.

Nieuw is die werkloosheidsproblematiek allerminst. Het fenomeen voltrekt zich cyclisch en bereikt eens in de paar jaar een problematische omvang. Maar een half jaar geleden zochten de werkloze specialisten zelf actief de aandacht van de media. Dat heeft alles te maken met de diepere onvrede die bij veel dokters onder de oppervlakte al jarenlang broeit. Het verhaal waarmee Du Perron naar buiten trad ging over een gebrek aan vacatures, maar het ging óók over de grote teleurstelling die je als medicus voelt als je geen baan kunt krijgen, juist nadat je er jarenlang zo veel voor hebt gedaan én gelaten.

Want daar zit wat haar betreft een belangrijk probleem: in de vanzelfsprekendheid waarmee beginnende artsen zich over de kop werken om die specialistentitel te bemachtigen. En in de vanzelfsprekendheid waarmee hun oudere collega’s dat gadeslaan, onder het mom van ‘zo ging dat bij ons vroeger ook’. Ze herinnert zich haar tijd als zaalarts. Vers vanuit de coschappen stond ze geregeld in haar eentje zeven nachten achter elkaar op de afdeling, met meerdere instabiele patiënten onder haar hoede. Het machteloze gevoel dat haar dan bekroop verweet ze vooral zichzelf, en schreef ze toe aan haar gebrek aan ervaring. ‘Je leert jezelf aan om te denken dat alles wat op je pad komt er nu eenmaal bij hoort. Iedereen om je heen doet het immers ook. Pas nu snap ik dat het systeem onmogelijke eisen stelt aan onervaren dokters.’

In de medische wereld gaan verhalen rond over beginnende chirurgen die gratis opereren, omdat ze bang zijn hun big-registratie kwijt te raken in de tijd die het kost om een baan te vinden. Jonge dokters werken als zaalarts het geld bij elkaar om hun eigen promotietraject te bekostigen, uit angst dat hun cv achterblijft bij die van concurrenten. Het zijn dit soort constructies die bijdragen aan de grote ‘verborgen werkloosheid’ onder specialisten die verschillende rapporten en belangenclubs al jaren signaleren.

Toen Du Perron zich online uitsprak over die afhankelijkheidsrelatie, merkte ze hoe sterk dat mechanisme nog aanwezig is in het ziekenhuis, en vooral hoe groot het taboe is om daar kritiek op te uiten. Andere beginnende dokters wilden in navolging van haar ontboezemingen alleen anoniem hun verhaal delen in de kranten, uit angst om hun eigen glazen in te gooien. ‘Ze weten dat er voor hen duizend anderen zijn. Er staat altijd iemand klaar die wél in de pas loopt, die nóg harder wil werken voor nóg minder geld.’

Ook zij ging tijdens haar opleiding geregeld over haar grenzen. ‘Maar je denkt: hierna krijg ik een vaste baan. Dan ga ik meer verdienen en komt er rust in mijn leven. Niemand vertelt je dat je nog weleens bedrogen uit kunt komen. Want het erge is: die zekerheid komt vaak helemaal niet.’ Tot haar frustratie is de jonge specialist de afgelopen jaren bijna een apart type werknemer geworden, een soort specialist-min, met een kort contract, zonder formele inspraak in de vakgroep en met een lager salaris dan collega’s met een vaste aanstelling. ‘Wanneer je daaruit komt? In ieder geval niet zolang je op tijdelijke contracten werkt.’

En dat duurt steeds langer. Tegenwoordig zwerven specialisten gemakkelijk vijf jaar rond met korte contracten, op zoek naar vastigheid. De helft van de jonge dokters werkt op een tijdelijk contract en een groeiende groep voelt zich vanwege de slechte arbeidsmarkt genoodzaakt om werk te zoeken in het buitenland. Het Capaciteitsorgaan sloeg dit najaar alarm: die korte contracten en de vlucht naar het buitenland zijn de kanaries in de kolenmijn van een arbeidsmarkt onder druk.

Ook Mare Lensvelt zat tien jaar geleden, als jonge moeder, twee jaar in verschillende ziekenhuizen ver van huis. Tijdens haar diensten sliep ze op eigen kosten in hotels. Ze draaide de slechte diensten, werkte tijdens alle feestdagen. En dan had zij het nog niet slecht. Ze zag leeftijdgenoten met een jong gezin naar Engeland vertrekken, of voor vier dagen in de week vanuit de Randstad naar Groningen afreizen. Een collega zat de helft van het jaar in België en de andere helft in Amsterdam. Het grootste verschil met nu: ze wist waar ze het voor deed. Voor haar lag gegarandeerd een vaste baan in het verschiet.

De Federatie Medisch Specialisten peilde het afgelopen jaar samen met de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (lad) onder bijna 2500 jonge dokters hoeveel van hen niet in hun eigen vakgebied aan het werk zijn, en hun redenen daarvoor. Twee op de drie gaf aan dat het domweg niet lukte om een vaste aanstelling te krijgen. Onder de overige respondenten zijn verklaringen te lezen als: ‘Na negen jaar zwerven ben ik gestopt’ en ‘overstap naar ander werk in verband met burn out na tweemaal toe geen vast contract en 2x verhuisd door heel Nederland incl. jong gezin’ (sic). Sommige respondenten solliciteerden meer dan dertig keer op een functie binnen hun specialisme, zonder vruchtbaar resultaat.

Onder respondenten klinkt onbegrip: ondanks de chronisch te hoge werkdruk in de ziekenhuizen staan werkloze chirurgen in sporthallen coronavaccinaties toe te dienen. Waarom wordt er niet structureel meer personeel aangenomen, vraagt men zich hardop af.

Als vice-voorzitter van De Jonge Specialist ziet Casper Tax het allemaal met lede ogen aan. Tax is parttime in opleiding tot chirurg, dat wil zeggen vier dagen per week. De vijfde dag zet hij zich met het bestuur van De Jonge Specialist op vrijwillige basis in om de stem van de beginnende dokter te vertegenwoordigen. De vereniging zit om de tafel met ziekenhuisbesturen, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), de artsenverenigingen en slaat zelfs bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport alarm. Al jarenlang roept ze op tot een cultuuromslag, met alarmerende rapporten over de hoge uitstroom en de nog hogere aantallen burn-outs onder specialisten.

Het woord ‘generatiekloof’ vindt Tax maar moeizaam in deze discussie. Dan ligt de focus op de mentaliteit van de dokters, alsof zij de werkdruk niet meer aankunnen of de ‘roeping’ ontbreekt. ‘Dat vind ik de grootste misconceptie die hierover heerst, en eigenlijk een grove belediging.’ Met zijn vrijwillige bestuurstaken, alle commissies en bijbaantjes die hij jarenlang combineerde met zijn studie en latere opleiding tot medisch specialist, beschouwt Tax zichzelf als de afspiegeling van een gemiddelde doch ambitieuze jonge dokter. ‘Kom bij mij niet aan met het verwijt dat onze generatie een negen-tot-vijfmentaliteit heeft. Maar wij halen onze voldoening uit andere dingen dan alleen ons werk.’

Commerciële coachingsbedrijfjes schieten intussen als paddenstoelen uit de grond om de overwerkte arts te leren alle ballen in de lucht te houden. Van cursussen gezond roosteren tot mindfulness voor dokters. Maar structurele begeleiding op de werkvloer wordt door collega’s nog te vaak weggehoond als een remedie voor zwakkelingen die het vak niet aankunnen. Dat merkte promovendus Kirsten Dijkhuizen tijdens haar onderzoek.

‘Iedereen roept om het hardst hoeveel uren ze wel niet maken in een week, alsof het iets is om trots op te zijn’

Uit diepte-interviews met aios en vanuit haar eigen ervaring als gynaecoloog weet ze: dat taboe op kwetsbaarheid is in het ziekenhuis nog hardnekkig. Artsen voelen zich vaak niet vrij om hardop uit te spreken dat ze het zwaar hebben of denken er niets mee op te schieten. ‘Het is de olifant in de kamer. Iedereen ziet het en niemand heeft het erover. In plaats daarvan roept iedereen om het hardst hoeveel uren ze wel niet maken in een week, alsof het iets is om trots op te zijn.’

Dijkhuizen en haar collega’s waren met hun onderzoek in 2019 de eersten die landelijk in kaart brachten waarom jonge dokters stoppen met hun opleiding, en welk pad ze daarna inslaan. Hun onderzoek toont de onhoudbaarheid van de situatie aan, met als harde conclusie: remediate the system, not the individual. ‘We kunnen iedereen die het moeilijk heeft blijven uitrusten met allerlei personal resources’, zegt ze daarover, ‘maar als het systeem van dokters blijft vragen dat ze onder hoge werkdruk presteren, ondertussen promoveren, commissies doen en daar vooral niet over klagen, dan houdt het systeem zichzelf in stand.’

Jaren na haar publicatie moet Dijkhuizen vaststellen dat verandering langzaam tot stand komt. Bij de gynaecologie schrijft ze zelf mee aan een nieuw landelijk curriculum, met meer ruimte voor persoonlijke begeleiding. En een coachingstraject dat ontstond op de kinderafdeling van het Erasmus MC rolt zich nu uit over de rest van het land. Maar, benadrukt ze, zulke initiatieven zijn vaak nog erg gericht op het individu en gaan het systeem niet radicaal omver werken. Bovendien wijzen deze voorlopers in het veld op een wrange paradox: juist op de afdelingen waar jonge artsen de werkcultuur als hard en onveilig ervaren, is het maar de vraag of collega’s hun problemen serieus genoeg nemen om gedegen hulp en begeleiding op touw te zetten.

De feminisering van de artsenpopulatie is in volle gang. De helft van de medisch specialisten is inmiddels vrouw en hun komst bracht onvermijdelijk de discussie over een progressiever ziekenhuisklimaat op gang. Maar zodra dokters een gezinsuitbreiding overwegen, lopen zij nog steeds tegen een masculiene werkcultuur aan. Chantal du Perron ziet nog voor zich hoe ze drie jaar geleden hoogzwanger en met een instabiele bekkenbodem over de spoedeisende hulp rende. En hoe ze drie maanden na haar bevalling weer fulltime aan het werk moest terwijl haar hoofd een brij was. Van thuis met een baby naar volle bak spreekuren doen en meedraaien op een hoog denkniveau, dat kán helemaal niet, realiseert ze zich achteraf. ‘Maar wat moest ik dan? Ik had geen keuze.’

Op papier is er door de jaren heen veel verbeterd. Tegenwoordig liggen er glasheldere cao-afspraken ter bescherming van de zwangere aios. Maar de dagelijkse praktijk is nog steeds niet op orde. ‘Neem de cao-afspraken over kolven’, zegt promovendus Dijkhuizen. ‘Die blijken nauwelijks waar te maken. Ik sprak vrouwen die kolfden met een pieper op zak. Wat doe je als dat ding tien keer afgaat? Het werk wordt er intussen niet minder op.’

Bovendien, als de zwangere met verlof gaat komt er geen vervanging en neemt de werkdruk op collega-aios toe. Zij hebben zelf vaak ook een jong gezin en kunnen daardoor nóg minder tijd met hun kinderen doorbrengen. Veel jonge moeders vertelden Dijkhuizen uit schuldgevoel tot diep in hun zwangerschap door te werken en diensten te draaien, tegen de cao-afspraken in.

Het is opvallend en veelzeggend dat de satirische roman The House of God van psychiater Stephen Bergman 44 jaar na verschijning nog steeds een bestseller is onder dokters en geneeskundestudenten. Bergman beschrijft een jaar in het leven van een groep artsen in opleiding, geconfronteerd met absurdistische ziekenhuistaferelen en galzwarte artsenhumor. In het steriel witte wilde westen van Bergman is alleen plaats voor de allersterksten – dat wil zeggen: degenen die hun gevoelens leren uit te schakelen en kunnen overleven zonder slaap. Het werk is ‘een satire waar – anders zou het geen goede satire zijn – veel waarheid in schuilt’, aldus het commentaar in het voorwoord. The House of God was bijna een halve eeuw geleden het startschot van het debat over de humane ondergrens van de omgang met jonge dokters in het ziekenhuis.

Jim Reekers heeft die tijd nog meegemaakt. De nu gepensioneerde interventieradioloog en emeritus hoogleraar werd opgeleid tijdens de wederopbouw en heeft de rest van zijn carrière zelf jonge artsen begeleid. Met zijn kaki broek, nette overhemd en jasje bevestigt Reekers het stereotype van de oude medisch specialist. Maar hij houdt er, zeker voor zijn leeftijd en statuur, een afwijkende visie op na.

Of het in zijn tijd beter was? Integendeel. Ook hij werkte zijn leven lang twintig uur per week meer dan waarvoor hij betaald werd. Ook hij was de vader die zijn kinderen pas echt leerde kennen toen ze al volwassen waren. Gesprekken over de kwaliteit van leven of de werk-privébalans werden veertig jaar geleden nog niet gevoerd. ‘In mijn tijd was het: daar is het werk. We horen het wel als het af is.’

En toch kijkt Reekers met compassie naar de nieuwe medici. En met zorgen. Hij weet dan ook niet wat hij hoort als blijkt dat de jonge vaatchirurg Lensvelt, met wie hij een paar jaar geleden nog samen op de OK stond, er de brui aan heeft gegeven. Hij weet dat ze niet de enige is en geeft haar geen ongelijk. De dokters van zijn generatie ziet hij in het ziekenhuis nog de werkethiek dicteren, de dokters die 24 uur per dag dokter zijn en bij wie de mate van zelf- en gezinsopoffering nauwelijks grenzen kent.

Zij vinden het maar belachelijk dat jonge dokters liever parttime werken, zegt Reekers. Dat komt mede, denkt hij, doordat oudere artsen geneigd zijn zichzelf als onmisbaar te beschouwen. Ze kunnen de zorg aan het einde van de dag moeilijk uit handen geven. ‘Ze praten niet over dé patiënt, maar over hún patiënt. Dat is typisch iets voor oudere dokters. Ze zijn ook opgeleid in een tijd waarin ze zich nergens anders om hoefden te bekommeren dan om hun werk. De noodzaak om grenzen te stellen aan hun werktijden is domweg hoger bij de nieuwe generatie dokters.’

Die laatste groep gaat er allemaal wat luchtiger mee om, merkt hij. Ze kunnen beter overdragen, en denken: morgen weer een dag. Als sinds twintig jaar geleden ziet hij de houding van de jonge dokters langzaam veranderen. Ze worden mondiger en wereldser. Hij ziet mensen die zich roeren in het klimaatdebat en zich uitspreken over kansenongelijkheid. ‘Ik spreek veel jonge mensen die zich afvragen wat de essentie van het leven is, wat ze écht gelukkig maakt. Vaak zijn dat andere dingen dan mee blijven draaien in die ratrace.’

Om die reden valt goed te begrijpen dat veel dokters nadat ze zijn afgehaakt in hun specialistenopleiding kiezen voor een baan als huisarts, zegt promovendus Dijkhuizen. Daar hopen ze de flexibiliteit te vinden die ze in het ziekenhuis missen. Ze kunnen dan zeggen: ik ga drie dagen per week werken, ik begin voor mezelf of ik val in als waarnemer. Dan bepaal ík hoe ik het doe.

De parallel met de verpleegkundigen is in deze context nauwelijks te missen. Daar kiezen degenen die het werk nog niet definitief hebben neergelegd er massaal voor om zich als zelfstandige te laten inhuren door zorginstellingen. Voor specialisten in een ziekenhuis is dat lastiger. Toch ziet Casper Tax van De Jonge Specialist de exodus van de verpleegkundigen als voorland van wat er met de medisch specialisten dreigt te gebeuren. ‘Ik snap die verpleegkundigen volkomen’, zegt hij, ‘maar dat is toch verschrikkelijk? Het feit dat mensen niet vast in dienst willen zijn, is het ultieme signaal dat er iets mis is in de organisatie. Een kwart van de verpleegkundigen én een kwart van de jonge dokters denkt erover om te stoppen, tel daar alle twijfelaars en oververmoeide mensen bij op. Als zij er allemaal de brui aan geven, hebben we straks echt een probleem.’

Eén mythe wil de gepensioneerde Reekers graag de wereld uit helpen: die van een nieuwe generatie die niet meer tegen een stootje kan, of de roeping van het vak verloren is. Hij ziet alleen maar goede dokters, gemotiveerde dokters. Aan hun bevlogenheid heeft hij nooit getwijfeld. Ze staan alleen iets anders in het vak, wat meer in contact met het gewone leven. Volkomen terecht, en gezond, denkt hij.

Op afscheidsborrels spreekt Reekers regelmatig collega’s van in de zestig die liever vandaag dan morgen stoppen. ‘Het aantal artsen dat ik in mijn loopbaan heb zien afhaken met burn-outs is ongekend. Veel dokters storten voor hun pensioenleeftijd al in. En vind je het gek? Dit beroep is fysiek én emotioneel loodzwaar. Je ziet alleen maar mensen die iets hebben, ziek zijn, doodgaan, kanker krijgen. Je hebt vrije tijd en afleiding nodig om dat te verwerken, maar we slagen er als dokters maar niet in om goed voor onszelf te zorgen.’

Victors echte naam is bij de redactie bekend