25. de communist

‘Mijn vader was de oprichter van de Brabantse CPN. Als dreumes zat ik al op zijn nek toen hij de werklozen opriep om de fabrieken over te nemen. Dat ging hard tegen hard, bij ons vlogen elke week de ramen in. Maar tegenstand sterkt in de strijd voor een betere maatschappij. Alleen door solidariteit en eendracht onder de arbeiders kan de uitbuiting ongedaan worden gemaakt. En het is de taak van een communist om voor die eenheid te zorgen.

De beweging was toen al hopeloos verdeeld. Die trotskisten en anarchisten: dat was een ruig zootje, sommigen dachten dat communisme inhield dat ze mijn moeder wel even konden versieren. Die jongens van de vrije liefde, daar heeft CPN-leider Paul de Groot na de oorlog een eind aan gemaakt.
Van hem leerde ik drie dingen: een communist moet de beste arbeider zijn die er is. Punt twee: hij mag niet stelen. Drie: geen gesodemieter met andere vrouwen. Want als je die moraal niet hebt, luistert er geen arbeider naar je. We zijn godverdomme nog erger dan de pastoor. Aleen mogen wij vloeken.
Nadat mij als communist het werken onmogelijk was gemaakt, ben ik voor de partij opbouwwerk gaan doen. Stakingen en demonstraties organiseren, arbeiders overtuigen van het belang om de huidige maatschappij te vernietigen. Ondanks het feit dat ik tientallen jaren ben afgeluisterd, bespioneerd en tegengewerkt, heb ik een prachtig leven gehad. Zelfs als ik klappen kreeg, voelde dat nog prettig. Naderhand ben je trots dat je erbij bent geweest.
Ideologisch gezien ben en blijf ik leninist: op congressen besluit de partij wat ze gaat doen, en die besluiten voer je dan gewoon uit. Ook als mensen het er niet mee eens zijn. Want compromissen zoals de SP en GroenLinks die sluiten, leiden tot niks; zo raak je alleen maar ingekapseld in de kapitalistische uitbuitingsmaatschappij. Dan vergeet je het streven naar een betere, klassenloze wereld.
Natuurlijk heeft de CPN ook fouten gemaakt. De sociaal-cultureel werkers zijn in de glorietijd van de jaren zeventig de boventoon gaan voeren. Die ouwehoerden een eind weg waar een arbeider hetzelfde kon zeggen in drie minuten. En de idealen verzandden in uiterlijkheden. Zelfs Bram Peper wilde populair worden bij de havenwerkers, dan trok hij even zijn spijkerpak aan. Maar toen het even ruw weer werd, haakten al die showmannetjes weer af. De arbeiders hebben zich uiteindelijk door al dat gelul van ons afgekeerd. En nu is er vrijwel niets meer.
Wij communisten moeten toegeven dat de ideologische strijd is gewonnen door de kapitalisten. De solidariteit is weg, iedereen denkt alleen nog maar aan zichzelf. Intussen buit het grootkapitaal de arbeiders harder uit dan ooit. En toch, toch is de strijd nooit helemaal verloren. Want de klassenloze maatschappij, die betere wereld, dat is nog steeds mogelijk. Zelf mag ik van de dokter niets meer doen. Mijn hart heeft het bijna begeven. Maar ik zou zo de fabrieken weer in willen. Maar anderen moeten het nu doen.’