Een kerstverhaal

25 december 2001

Osaka

Het is een dag als een andere en Kabuki-cho zet zich schrap als de metrodeuren openschuiven. Discipline. Er is geen discipline. Alleen maar haast, duw- en trekwerk. Een dagelijkse studie van inhoudsmaten: hoe krijg je meer lichamen in een metrowagon dan wiskundig gezien mogelijk is?

Toen hij onlangs op een betaalzender keek naar een aflevering van «waanzinnige sporten», kreeg hij een schok van herkenning. Er zijn plekken op de wereld waar twee groepen mannen op een eivormige bal jagen en elkaar daarbij nietsontziend onderuit schoffelen. Soms vormen de twee groepen een kluwen, de handen rond de schouders geslagen, en proberen elkaar weg te persen. Kabuki-cho weet wat ze dan voelen. Hij buigt voorover, zet zijn schouders tegen het kluwen, houdt de voeten in de gewenste houding, ademt diep in en begint inwendig te brullen. Een minuut later vertrekt het metrostel. Volgepropt. Moraal van het verhaal: wiskunde liegt.

Kabuki-cho is doof geboren en toch let hij nauwelijks op gezichten. Hij onderscheidt lichaamsdelen en -geuren. Hij heeft deze gaven zo verfijnd dat hij blindelings weet wie hij waar moet vastnemen om beter te kunnen duwen en het overige is genot. Het parfum van ochtendlijke lichamen. De variëteiten. De horror en de hemel. Het geurorgel dat elke ochtend uitbarst in symfonieën. Doordat iedereen een gewoontedier is, gaat iedereen elke dag op dezelfde plaats staan op het perron. Kabuki-cho heeft zijn favorieten. Er is een zakenman in een scherp gesneden pak, die zowel ruikt naar de fijnste etherische oliën als naar muskus: een verwarrende combinatie die duistere nachtelijke obsessies verraadt, doordrenkt van zuchten en urenlange strelingen, gevolgd door trage badrituelen. Er is een vrouw die zo hevig naar het vruchtvlees van een mango geurt dat ze voor Kabuki-cho eten en drinken is. En ten slotte is er het meisje: haar huid is mat als gezandstraald glas en geurt naar een zich ontplooiende lotusbloem. Zo bedwelmend en zo zuiver dat Kabuki-cho zichzelf elke ochtend moet overtuigen om de grond niet te kussen waar ze heeft gestaan.

Ze heeft één keer naar hem geglimlacht. Minuten later stond hij nog naar zijn adem te zoeken, lang nadat het metrostel door het netwerk zoefde. Zijn wangen gloeiden alsof ze hem had gekust.

Vanochtend heeft Kabuki-cho zich langdurig gebaad. Zonder zeep. Om zijn neus zo ongerept mogelijk te houden. Hij heeft een doek voor het gezicht gehouden toen hij de straat op ging. Hij weet dat het niet lang meer zal duren voor ze er zal zijn.

Af en toe staat hij met gesloten ogen de lucht af te speuren als een hond. Ze komt. Ze komt niet. Natuurlijk komt ze. Hij hoeft niet eens te kijken. Zuiver als een lotusbloem. Fijngesneden als ivoor. Ravenzwarte haren. Haar glimlach als… haar glimlach. Onvergelijkbaar.

Het zal niet lang duren voor ze instapt. Hij doet zijn werk zoals bevolen: duwen, zich terugtrekken, wachten op de volgende lading. Stiekem kijkt hij onder zijn arm. Ze staat daar nog. Voor hem. Met volle teugen ademt hij haar in.

Lading na lading. Ze stapt niet in. Een bloem die opbloeit. Voor hem alleen.

Hij strekt de rug, draait zich achteloos om en kijkt haar recht in de ogen. Papavers vlammen op in haar wangen.

Er zal geen dag meer voorbijgaan zonder papavers, beseft hij, nooit meer.

Kabuki-cho staat ademloos, oog in oog met het meisje met de vliesdunne glimlach, als gebeurt wat moet gebeuren. In de kranten zal te lezen staan dat verscheidene mannen op hetzelfde moment een zak neerzetten op het perron. Ze poken in de zak met een regenscherm en verwijderen zich. Meer niet. Het gas hangt eerst tussen de voeten, geur- en kleurloos, en kruipt dan langs de benen omhoog. Tot het de eerste keel van het eerste kind bereikt. Ingeademd. Verspreidt zich razendsnel door het lichaam en legt de ademhaling stil. Lichaam na lichaam.

Kabuki-cho wordt ruw opzij geduwd. En daarna is er geen houden meer aan. Een vloedgolf spoelt over hem heen. Kolkt tussen hem en het meisje. Hij probeert haar hand te grijpen. Hij probeert haar te lokaliseren.

Ze ligt met open ogen naar adem te snakken. De opgezwollen ader in de hals. Ze blijft dwars door hem heen kijken, terwijl hij haar in zijn armen neemt en naar de trappen loopt tussen mensen die aan zijn broekspijpen trekken. De grond bezaaid met schoenen, zakken, kledingstukken, lichamen. De trappen op, de lucht tegemoet. Haar tas, denkt hij plots, ik moet straks haar tas halen. Iemand struikelt op dat moment over die tas. Waardoor een nieuwe lading gas opwolkt.

Sri Lanka

Zoals gewoonlijk hadden de besprekingen langer geduurd dan voorzien. Een gesprek is een spel en de listige aanhouder wint. Woorden die andere dingen betekenen, woorden die omtrekkende bewegingen maken, schijnbewegingen die geduldig als een slang op zoek zijn naar de prooi. Ik had hoog ingezet en de volle pot gewonnen. De officieren hadden zich lang en hevig verzet, maar ik deed de juiste beloftes. Niet te veel, om hen niet wantrouwig te maken, en genoeg om hen naar een royaal pensioen te doen uitkijken.

(Niemand wist toen dat iemand zich in een toilet aankleedde om ons een bezoek te brengen.)

Het gebouw was omringd door tanks en elitetroepen. Ik bracht de president telefonisch op de hoogte van de succesvolle afloop van de onderhandelingen. Hij had het onomwonden over een historisch feit. Een monument. Een paleis. Wie was ik om hem tegen te spreken?

Daarna brachten de officieren en ik een toast uit. We hoorden een journalist op CNN vermelden dat we een akkoord hadden bereikt.

Er is geschiedenis en er zijn kleine verhalen.

(Iemand trok een uniform aan en stopte de zakken vol granaten.)

De tanks keerden terug naar de kazernes. De soldaten marcheerden in colonnes weg. Er was sprake van euforie. De officieren maakten grapjes. Het gevaar was geweken.

(Iemand kwam het toilet uit, en ging de trappen op, in een uniform vol sterren.)

We brachten de zoveelste toast uit toen we geschreeuw hoorden. Gevolgd door een ontploffing. We werden van de sokken geblazen en even later stormden zwaarbewaakte soldaten binnen. Ik dacht even aan een staatsgreep. Ik verloor het bewustzijn. Toen ik ontwaakte, vertelden ze me dat er 64 gewonden waren en 21 doden, de Tamil-tijger niet meegerekend.

Speciale eenheden omsingelden een flatgebouw. Op het moment dat de soldaten de inval uitvoerden, bliezen vier mannen zichzelf op. Liever dood dan gevangen. Wie sterft voor de goede zaak, gaat recht naar de hemel. Wat is dat, de goede zaak?

Elke nacht droom ik dat mannen, vrouwen en kinderen overal in het land explosieven om hun middel hangen en glimlachend op me afkomen. Als ik wakker schiet, zie ik ze flonkeren aan de hemel.

Tora Bora

Het is geen mierennest. Het is een onontwarbaar ondergronds complex vol gangen die leiden naar nieuwe stuurloze gangen, ontworpen volgens een plan dat alle logica tart: een titanenwerk dat eeuwen geleden werd ingezet om het water, dat toen al over leven en dood besliste, tegen de verzengende zon te beschermen. Generaties braken hun rug om de verdampende rivieren om te leiden, de bergen in, waar het water lag te glinsteren als vloeibaar geworden diamanten. Honger- en dorstdromen. Onmogelijkheden. Fantasieën van mensen die de dood elke seconde in de ogen keken.

De boeren trokken zich met vrouw en kinderen terug en boorden zich door de rotsen als termieten: millimeter na millimeter, met een vastberadenheid die aan waanzin grensde. Je vrat je een weg door de rotsen en verwekte ondertussen kinderen die enkele maanden na de geboorte al meehielpen. Door het graven werden de handen scherp als messen. Maar de rotsen waren ongenadig. De messen werden bot. Je stierf als je tijd was gekomen. Je blies de laatste adem uit terwijl anderen al over je rug kropen. Mollen die zich koppig een weg baanden, desnoods naar de andere kant van de wereld. Je leerde zuurstof te zuigen uit stof. Je leerde dat praten een verspilling van zuurstof was. Eeuwenlang zwijgen. Eeuwenlang krabben aan steen. Tot je zelf even hard was geworden als steen. Sommigen werden gek. Begonnen zonder enige aanleiding op de rotsen te beuken tot de gensters in het rond spatten. Wat je zag, waren gedaanten, die met wijdopen ogen de muren aftastten en met een vinger gaatjes boorden en dan die gaatjes groter probeerden te maken en die dan hun hoofd door dat gat beukten, alsof ze telkens opnieuw geboren wilden worden. Op de hielen gezeten door het water.

Na eeuwen kwamen de eersten aan de andere kant van de berg te voorschijn. Het lange werk had hen zo afgemat en zo dun gemaakt dat de gaten nauwelijks groter waren dan een kindervinger.

Er zijn volkeren die tientallen jaren door de woestijn hebben gezworven en leefden van de laaghangende wolken die ze als vlokkig deeg uit de lucht plukten, of van gevallen sterren. Wij aten stenen. Vandaar onze onverzettelijkheid. Ons koppige geloof in iets wat jullie nooit zullen begrijpen.

Toen we uit de rotsen te voorschijn kwamen, was de zon niet verdwenen. Even ongenadig, even wreed. Het water dat uit de gaten sijpelde, verdampte. Daarom groeven we verder. Bewogen traag onder de grond zoals een kind onder de huid van de moeder. Alle richtingen uit. Mollengangen. Aders. Af en toe kwamen we aan de oppervlakte. Waren nauwelijks van de andere keien te onderscheiden. Groeven ons in bij het minste gevaar. Konden uren-, dagenlang ademloos en roerloos liggen te wachten tot het gevaar geweken was. Sommigen zochten elkaars gezelschap, volgden onbegrijpelijke voorkeuren en hiërarchieën. Klonterden. Wreven zich scherp aan elkaar. Klaar om elke waterdruppel tot de dood te verdedigen.

De gevechten waren kort. Geluidloos. Je sprong iemand flitsend naar de keel en beet. Je deed je tegoed en wachtte op het volgende gevecht.

Wie eeuwenlang in het duister heeft geleefd, volgt het eerste licht dat hij ziet.

Hij droeg een wit gewaad, zoals we ons uit oude verhalen herinnerden. Hij had een baard waarin vogels nestelden.

Wij geloofden hem. Natuurlijk geloofden we hem. Hij had ons een licht beloofd dat de honger stilde en de dorst leste.

Wat we kregen was een zon die heter en verwoestender was dan we ons hadden kunnen voorstellen. Een zon die nauwelijks te bevechten was, zelfs niet door mensen die stenen met hun voorhoofd kunnen verbrijzelen.

De leugenaar. De moordenaar. We gooiden ons op hem en vraten hem met huid en haar op. Daarna trokken we ons in de grotten terug.

We weten dat jullie ons zullen vinden. Ik vertel mijn kinderen verhalen over het licht om hun angst weg te nemen. Mijn vrouw legt een hand op haar buik en probeert te glimlachen. Het zal niet lang meer duren. Ze ademt sneller en ik grijp haar hand, terwijl ik over het licht blijf vertellen. Ik weet niet of mijn kinderen mij geloven. Tegen me aan als kleine katten. Onder mijn armen kruipend als het licht opvlamt. De pijn die door mijn vrouw trekt. Ik hoor jullie komen. Ik hou mijn handen in een kom om het kind op te vangen, terwijl ik almaar luider blijf vertellen. Het licht, zeg ik. De warmte van het kind over mijn handen sijpelend. De blik van mijn vrouw en mijn kinderen, nu ik het pasgeboren kind op haar buik leg, de blikken van mijn kinderen, nu het licht onstuitbaar, in een onstuitbare gulp, over ons heen dondert.

Jeruzalem

Tientallen mannen staan nu, op dit moment, ergens in de stad voor een muur te jammeren en te bidden en met de schouders heen en weer te bewegen. Joelende kinderen. Overal drukte. Wat doe ik hier? Wat ik moet doen. Het is het uur.

Overal uniformen. Ook op de bus waarin ik me bevind. Oude mannen, oude vrouwen. Kinderen. Vol vertrouwen. Trots.

De volgende halte is in zicht. De laatste statie.

Ik duw de zak met een voet onder de stoel. De kinderen zingen een lied dat ik niet ken.

De bus houdt halt. Ik help een oude vrouw uit te stappen.

Als de bus wegrijdt, hoor ik iemand op een raam tikken. Hij wuift naar me terwijl hij de zak boven zijn hoofd houdt. De kinderen zingen met open monden. Een soldaat baant zich een weg naar de man met de zak.

Ik blijf kijken.

Een vuurbal. De luchtverplaatsing schopt me op de grond. Glassplinters. Metaalsplinters. Iets sijpelt over mijn kin. Een vreemde doofheid neemt bezit van me.

Overal rennende mensen met bloedende mensen in hun armen.

Ik kijk naar het enige raam dat intact is gebleven. Ik zie een man die de hand naar het voorhoofd brengt. Hij laat de muis van de hand op het voorhoofd neerkomen. Keer op keer. Onophoudelijk.

Tot niet alleen de hand en het voorhoofd, maar het hele gezicht, over de kin, over de borst, tot hij helemaal, van kop tot teen vuurrood geschilderd is.

Ik zie hoe iemand een wapen te voorschijn haalt en het op de slaap van de rode man zet.

De loop voelt hard en koud aan.

Ik zie mezelf glimlachen. Het licht, denk ik. Eindelijk het licht.

Dublin

Er is één God: de onze. Er is één waarheid: de onze. Er is één misdaad: de hunne. Er zijn twee soorten mensen: wij en zij. Nee. Er is maar één soort mensen: wij.

Mijn grootvader is dood. Mijn vader is dood. Mijn broer is dood. Ik ben de enige man in de familie.

Mijn grootvader werd geveld door een verdwaalde kogel. Het was een vergissing, zeiden ze. Mijn vader werd neergeschoten uit een voorbijrijdende auto. Mijn broer verdween in een gevangenis en we hebben zijn lijk nooit mogen zien. Een vergissing?

Ik heb een moeder die niet meer kan huilen. Ik heb een zuster. Op een nacht werd ze op straat een auto in getrokken. Ze heeft er nooit over willen praten. Ik weet dat er vijf mannen in de auto zaten.

Ik heb een opdracht.

Ze zeiden dat een meisje ’s nachts niets te zoeken heeft op straat, en dat het enige wat ze daar kon vinden was wat ze heeft gekregen. Dat was wat die van ons zeiden. Die van hen zeiden dat het een vergissing was. Geloof hen niet. Ze maken wat wit is zwart en al de rest schilderen ze oranje: de kleur waarmee ze ons dag in dag uit sarren.

Als ik aan hen denk, komt er een oranje waas voor mijn ogen.

Heeft iemand van jullie al eens een kind zien liggen, doorzeefd met granaatscherven? Het was een vergissing, zeggen ze. Ik zal me niet vergissen. Ze zeggen dat we nooit ons woord houden. Wij kennen maar één woord en dat bestaat uit vijf letters. W.R.A.A.K. Ze staan op onze vingers getatoeëerd. Onze vuisten. Onze pantservuisten.

Ze zeggen dat we aan tafel moeten zitten en praten. Praatjes. Onzin. Gelul. Je kunt niet ongestraft iemands eigendom betreden, alles kort en klein slaan, iedereen als een beest behandelen en dan zeggen: het was een vergissing.

Denk je dat ik mijn wang aanbied, als je mij slaat? Als je slaat, moet je de laatste zijn die slaat. Zo hard mogelijk. Zo gericht mogelijk. Genadeloos.

Ik ben een vuist. Jarenlang, dag in dag uit, ben ik ermee bezig. Mijn doel? Een vuist te zijn. Een vuist die neerkomt in je gezicht als in een venster. Tientallen vensters. Tientallen gebouwen. Ik wacht. Ik heb alle tijd. Ik hou jullie in het oog. Vanaf mijn geboorte. Broedend.

’s Nachts kom ik jullie huizen binnen en sta aan jullie bed. Geduld.

Als je slaat, moet je zo hard mogelijk slaan. Geduld!

Tot barstens toe gevuld. Letterlijk. Gekleed in mijn wraak. Letterlijk.

Vanavond is het Kerstmis. De hele zwik: kerstbomen en kerstballen. Vuurwerk. Letterlijk.

Kunnen jullie tellen? Nee? Denk aan jullie doden. Tellen maar. Aan twee handen heb je genoeg. Twee maal vijf vingers. Twee vuisten. Letterlijk. Kijk maar.

Tien. Negen. Acht. Zeven. Zes. Vijf. Vier. Drie. Twee. Eén.

New York

Denise heeft een lastige nacht achter de rug. Zeven bevallingen, zeven keizersneden, zeven lijkbleke vaders en zeven moeders die bijna bezweken onder vermoeidheid en geluk.

Denise staat aan het raam van het ziekenhuis en kijkt uit over de stad. Overal sneeuw. Ze weet dat het een modderpoel is op de straten, maar ze kijkt naar de daken. Wit als melk. Zuiver als babyvel. Glimlachend neemt ze een kind in de armen. Begraaft haar neus in het kruintje. Straks gaat ze naar huis. De gezangen. De pakjes. Ze zullen punch drinken en ijstaarten eten, haar man zal bij kaarslicht het verhaal vertellen van een kind dat duizenden jaren geleden werd geboren. Haar zonen zullen nadien met hun neus tegen het raam wijzen naar de ster die inderdaad stilstaat. Ze zullen nog één liedje zingen. ’s Nachts zal ze samen met haar man op de rand van hun bed naar hen zitten kijken.

Denise werpt een blik op de zilverkleurige wolkenkrabbers aan de overkant van de straat en wiegt het kind in de armen. Neuriënd. Legt het kind terug in het bedje. Met de rug naar het raam toe.

Ze heeft niet eens de tijd om zich af te vragen waar het aanzwellende gebrom vandaan komt.

Na(nanana)zareth

Stille nacht,

Heilige nacht,

Mama slaapt,

Papa waakt.

Droom van de sterren

Zo zuiver en gaaf.

Naaaa, na naa naaaana nanaaaa, naaaa nana naaaaaa

Naaaa, naa naaaaaa, na naaa, naaaa naaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa.

Naaaaaaaaaaaa nanaaa naaaaaaaaa nanaaaaa naaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa