26. de kasteelvrouwe

‘Omdat ik dit huis heb, denken de mensen dat ik de hele dag bonbons zit te eten met een kroontje op mijn hoofd. Kom nou, ik ben de koningin niet. Hoewel ze wel een bloedverwante van mij is. Henriette van Nassau-Zuylenstein, de moeder van de zestiende heer van Middachten, was namelijk een kleindochter van Frederik Hendrik, die weer de zoon was van Willem van Oranje. Maar zo is iedereen familie van elkaar. We zijn allemaal de kinderen van Adam en Eva.

Het enige verschil tussen mij en mijn pachters is de andere verantwoordelijkheid die wij hebben te dragen. Het kasteel is mooi, maar het is importanter dan ikzelf. Vanaf 1190 is het al in handen van onze familie en aangezien ik de vierentwintigste vrouwe van Middachten ben, is het mijn taak om het zo ongeschonden mogelijk over te dragen aan de volgende generatie. Dat is een plicht waar je mee moet leren leven.
Eenvoudig is het niet. De meeste landgoederen zijn in de jaren vijftig en zestig, het socialistische tijdperk, verdwenen. Omdat zij de pachten fixeerden, terwijl de loonkosten de pan uit rezen. Dat Middachten de socialisten uberhaupt heeft overleefd, is wel uniek te noemen. Maar weinigen hebben de moed gehad om ermee door te gaan. Hoewel we nu wel wat overheidssubsidie krijgen, kost het restaureren en conserveren van zo'n kasteel bakken met geld.
Wat ik de hele dag doe? Boodschappen doen, koken en de hele dag achter iedereen aanlopen. De tuinen moeten worden bijgehouden en het schilderwerk. Schoongemaakt en gerepareerd moet er worden, ik heb nooit rust, er moet altijd wel iets gebeuren. Zeker nu we het landgoed hebben opengesteld voor publiek. Tja, door die rondleidingen, huwelijksreportages en bedrijfsfeestjes houden we de boel nog een beetje draaiende. Laatst waren er nog driehonderd mensen van de ING Bank aan het cricketen in onze tuin.
Voor ons zit daar niet zo veel glamour aan. Toen we verleden jaar een dansfestival gaven voor een stel Russen, zeiden er aan het einde een paar dat ze zo hadden gehoopt dat ze de gravin zouden ontmoeten. Terwijl ik de hele avond om hen heen had lopen draven. Ach, ik ben gewoon een huishoudster die zelfs op haar oude dag hard moet werken. De tijd dat de dorpelingen mij met “gravin” aanspraken, die is voorgoed voorbij. Ik heet al jaren “mevrouw”. Wat denk je, het dorp weet ook wel dat de overheid ons gebruikt als goedkoop personeel om de vaderlandse cultuurschatten in stand te houden.
Nu kan je denken: verkoop Middachten en ga heerlijk in een mooie bungalow wonen. Maar dan heb je geen verantwoordelijkheidsgevoel, dan ben je de naam Bentinck niet waard. Ik heb heb het zaakje nu eenmaal geerfd van mijn vader. Dus is het mijn plicht om het bij elkaar te houden voor mijn zoon. Hoe die met Middachten zal omgaan, kan ik nog niet zeggen. In ieder geval is hij opgevoed met het zelfde devies als wij: Malo Mori Quam Foedari, liever de dood dan de schande.
Nee, ik heb geen broer. Helaas niet. Anders zat die nu hier.’