26. een ongeval

Verlamd zag David hoe Lucille Nauta dichterbij kwam. Het geluid van haar hoge hakken kreeg een dramatische galm in de hal van het ziekenhuis. Ze had een donkergrijze, getailleerde jas om haar schouders geslagen, over haar uniform heen. Op haar gezicht lag die vreemde, bevroren uitdrukking waar David zo voor viel. Alsof zich achter dat marmeren voorhoofd een zinnelijke, prikkelende wereld bevond die door een ijzeren wil werd bestuurd. Haar wil. David snakte ernaar om zich daaraan over te geven. Om al haar eisen en verlangens in te willigen. Om de duistere gebieden van zijn eigen geest te betreden… met haar.

Blijkbaar was hij niet de enige. Naast haar liep een lange man. David had hem al eens eerder gezien; plotseling wist hij ook waar. Dit was de dokter met wie Nauta stond te praten op de afdeling waar zijn oma lag. Hun gesprek had behoorlijk intiem geleken. Dat had zijn jaloezie opgewekt. Nu flitste er opnieuw een scheut van onbehagen door de landkaart van zijn lichaam. De dokter en de verpleegster leken op een geheimzinnige manier met elkaar verbonden. Toch keken ze gespannen. Ze deden afstandelijk. David merkte op dat Lucille Nauta voorop liep. De dokter volgde haar. Willoos, bijna. Gehypnotiseerd. Hartstochtelijk wenste David dat hij zijn plaats kon innemen.
Daar was natuurlijk geen sprake van. Hij kon de man toch moeilijk neerslaan! Of bij zuster Nauta om een afspraakje gaan bedelen. Vol afgrijzen keek hij toe terwijl het paar zwijgend passeerde, zonder op hem te letten. Ze liepen het ziekenhuis uit, stapten op de parkeerplaats in een donkerblauwe Saab en reden weg. David stond op en rekte zich uit. Hij was merkwaardig kalm. Alle emotie leek uit hem gevloeid. Moest hij zich soms de haren uitrukken en as op zijn hoofd strooien? Nee. Dit was gewoon the end. Het einde van het zuster-Nautaverhaal. Nou en. Er waren toch zeker genoeg andere vrouwen op de wereld? Warme, vriendelijke wezens met mooie, rode lippen.
Zodra hij het terrein van het ziekenhuis afliep, werd hij getroffen door een ontzaglijk gevoel van verlies. Op de plaats van zijn hart gaapte plotseling een groot, zwart gat. Hij wist niet meer hoe het verder moest. Misschien moest hij zich in Belgie een modern, efficient pistool aanschaffen. De schemering was al ingevallen. Vanuit de verte naderde een vreemd geloei - een soort opgewonden gebrul. Er liepen groepjes mensen over het trottoir. Sommige renden. Het waren jongens, veelal met kale koppen. Bij hun donkere kleding droegen ze wit-met-rode petten en dassen. Toen ze dichterbij kwamen, hoorde David een bekende melodie opklinken. ‘De herdertjes lagen bij na-ha-ha-hachte’, zongen de Ajax-fans luidkeels, 'ze hadden hun schaapjes geteld. Toen hoorden ze engelen zingen… Feyenoord!’
Vreemd, dacht David. Haastig maakte hij aanstalten om over te steken. 'Maar engelen bestaan niet’, schreeuwden de jongens hard en dreigend, in plat Amsterdams. Zeg dat wel, dacht David verbitterd. En hij stapte de snelweg op. Alles om hem heen werd zwart.