28. de voorganger

‘Ik ben best wel eens verliefd geweest. Soms ben ik dat nog wel. Niets menselijks is mij vreemd. Maar ik zie een opdracht: totale overgave aan God. Het celibaat betekent wel ietsje meer dan alleen onthouding van seks. Als priester ben je een teken aan de mensheid: het enige wat je nodig hebt is God.

Als misdienaartje had ik al een sterk verlangen om pastoor te worden. De gewaden, de wierook en dat sonore gezang maakten een enorme indruk. De geur van de kerk, dat theatrale van de liturgie. Als ik nou pastoor word, dacht ik, dan mag ik in de hoofdrol!
Wat begon als een romantische kinderwens werd al snel veel dieper. De liturgie draait niet om franje, maar om het samen met de gemeente een worden met Christus. Daar heb je echt geen kathedraal voor nodig. Dat kan ook in een onooglijk zaaltje in een bejaardentehuis. Ook verzorgt een pastoor veel meer dan de liturgie. Van het kraambed tot het sterfbed mag hij mensen nabij zijn. Hij gaat zijn gemeente voor in hun liefde tot God.
Met de militaire dienst kwamen wel de twijfels over mijn toekomstig priesterschap. Was het voor mij niet onbereikbaar? Want je hebt er minimaal een havo- diploma voor nodig. En ik heb alleen mavo.
Vorig jaar verkocht ik nog bomen voor een houtfirma. Opeens dacht ik: wil ik dit wel? Ieder jaar weer meer winst maken, mijn hele leven lang? Ik hakte de knoop door. Ik meldde me aan bij het Arinsconvict. Havo of geen havo, ik had een roeping. En ze namen me aan!
Terugkijkend zeg ik: ik ben geleid door God. Mijn collega’s waren nogal verbaasd. Een prachtig salaris inleveren voor een baantje bij een zieltogend, achterhaald instituut? Dat begrepen ze niet. Maar priester zijn is geen baan. Het is de ontdekking waar je hart ligt. Ook geloof ik niet dat de kerk langzaam wegkwijnt. De aandacht voor religie neemt juist weer toe, zeker nu het einde van het millennium nadert. Tekenen van hoop zijn er genoeg. Alleen al vorig jaar hebben duizend nieuwe katholieken zich aangemeld! Ook het bezoek aan bedevaartplaatsen en het aantal Mariaverschijningen neemt weer toe. Van die verschijningen kan je niet zeggen dat het allemaal nonsens is. De vrede die men voelt in de grot van Lourdes is heel waarachtig. Wel is het jammer dat het in het stadje zelf zo'n kermis is geworden. Lourdes lijkt soms net de Wallen, met al die snuisterijenwinkeltjes.
De zin van dit alles is moeilijk te duiden. Vragen naar de zin van smart en lijden zijn sowieso niet eenduidig te beantwoorden. God is nu eenmaal het allesoverstijgende, niemand kan Hem ooit volledig begrijpen. In ieder geval heeft de dood nooit het laatste woord. Zoals de Schrift zegt: “Niet God heeft de dood gemaakt en hij schept geen behagen in de ondergang van de levenden.” God wil dus alleen het goede voor de mens. Dat biedt Hij ook aan in de belofte van Zijn zoon: “Wie in mij gelooft, die zal leven in de eeuwigheid.” Maar de mens mag zelf kiezen. De uiterste consequentie daarvan is dat hij ook kan zeggen: “Nee. Dat wil ik niet.” ’