28. nieuw bloed

‘Bent u wakker?’ vroeg een stem. Met moeite maakte David zich los uit een koortsachtige droom over inktvissen. De dokter stond bij zijn bed. ‘De operatie is prima verlopen’, zei ze zakelijk, ‘maar uw Hb is erg laag. We willen u een bloedtransfusie geven, zodra de koorts is gezakt.’

David keek haar verbaasd aan. Bloedtransfusie? Hij?
‘Medisch gezien is het verantwoord om te weigeren’, ging de dokter verder, 'maar dan zult u waarschijnlijk maandenlang niet normaal kunnen functioneren.’ David knikte apathisch. Hij had totaal geen energie. De dokter sloot zorgvuldig de gordijnen rond zijn bed. Toen ze weg was, hoorde hij hoe rumoerig het was op de zaal. Mensen praatten, lachten. Kinderen draafden heen en weer. Dit moest het bezoekuur zijn. Hij had geen flauw idee van de tijd. Zijn horloge en al zijn kleren waren op wonderbaarlijke wijze verdwenen; hij droeg alleen een lichtblauw, katoenen hemd. Nooit eerder was hij zo zwak geweest. Hij zocht houvast in de gesprekken om hem heen. Dat lukte niet; alle woorden klonken vreemd. Turks hoorde hij, maar ook talen die hij helemaal niet kon thuisbrengen. Voor het eerst van zijn leven voelde hij iets dat 'xenofobie’ genoemd zou kunnen worden. Een onbestemde angst.
Geleidelijk werd het stiller om hem heen. De bezoekers druppelden weg. Een verpleegster kwam om bloed af te tappen en zijn temperatuur te peilen. 'Wat is de stand, zuster?’ fluisterde David in een poging tot ironie. Ze vertrok geen spier: '39,9’. Davids voelde paniek in zich opkomen. Stel je voor dat hij stierf van de koorts! Toen het licht op de zaal uitging, zakte hij weg in een soort halfslaap, terwijl een verre uithoek van zijn geest actief bleef. Met zijn wil probeerde hij de temperatuur van zijn lichaam te laten dalen. Hij betrapte zich erop dat hij af en toe rillend 'alsjeblieft’ prevelde. Tegen wie? Tot wat?
Tegen het vallen van de ochtend gleed hij in een droomloze slaap, waaruit hij werd gewekt door een verpleger uit het zuiden des lands, die bijna juichend constateerde dat de temperatuur flink gedaald was. Voor David werden twee zakken nieuw bloed aangesleept. 'U zult zich snel weer wat beter voelen’, verzekerde de broeder hem. En waarlijk. Terwijl de stroperige, rode vloeistof via zijn arm naar binnen sijpelde, merkte David dat hij levendiger werd. Sterker. De gordijnen werden opzij geschoven. Voor het eerst zag hij zijn kamergenoten, die uit Turkije, Ghana en Pakistan bleken te komen. 'Interessant’, dacht hij. Zijn angst was als sneeuw voor de zon verdwenen.
De deur ging open. Vanuit zijn ooghoeken zag David een wit uniform binnenkomen. Niets bijzonders. Toen keek hij beter, en verstijfde. Lucille Nauta! Streng, swell and sexy as hell passeerde ze hem. De enige verpleegster in het heelal die naaldhakken droeg! Ze liep naar het bed van zijn buurman en begon geroutineerd de zijkanten op te klappen. De arme jongen wist niet waar hij kijken moest. Geluksvogel! David slikte moeizaam. Hij moest, hij zou …
'Zuster Nauta?’ zei hij schor.