29. kaartjes

Zuster Nauta keek op. Haar ogen waren groen als de zee, en ondoorgrondelijk. Ze herkende hem niet, zag David.
‘Zegt u het maar’, zei ze koel.

Plotseling begon hij te blozen. Hij kon toch moeilijk om een afspraakje bedelen terwijl hij in een ziekenhuisbed lag met een zak bloed aan zijn arm vanwege een transfusie? Hij was gisteren pas geopereerd! Beverig haalde hij adem. ‘U hebt een tijdje geleden mijn oma verpleegd. Mevrouw Krabben. Weet u nog?’ Nauta ging rechtop staan met haar handen op haar heupen, zodat haar borsten pront naar voren staken. Ze dacht na. Alle mannen op de zaal keken oplettend toe. Haar blik gleed vluchtig over David. 'O ja’, zei ze toen, onverschillig. 'Hoe gaat het met haar?’ Ze maakte aanstalten om het bed van zijn buurman weg te rollen. 'Eh, gaat wel’, zei David haastig. 'Ik wilde u eigenlijk iets anders vragen.’ Ze aarzelde een fractie van een seconde. 'Ik heb nu echt geen tijd’, zei ze. 'Probeert u het later nog eens, meneer Krabben.’
Geruisloos gleed het bed naar de deur. 'Ik heet Rosenbach’, riep David haar achterna, met de moed der wanhoop. 'David Rosenbach.’ Toen geschiedde er een wonder. Zuster Nauta hield even de pas in, en haar wonderschone lippen glimlachten. 'Tot ziens, meneer Rosenbach’, zei ze zwoel. En ze verdween. Om niet meer op de ziekenzaal terug te keren. Elke seconde dat hij wakker was, keek David naar haar uit. Tevergeefs.
Twee dagen later mocht hij naar huis. Hij kreeg krukken mee - om zijn herstellende been te ontzien - en was op weg naar de uitgang. Het lopen viel hem niet mee. Halverwege een lange, lege gang leunde hij even tegen de muur om uit te rusten. In de verte naderde iemand. Een verpleegster. Haar hakken klikten opwindend op de muisgrijze vloer. Tjesis! David viel bijna om, met krukken en al. There she was. Hij ging zo recht mogelijk staan en nam zich voor om Nauta desnoods met een kruk de weg te versperren. Maar dat was niet nodig. Ze stopte vanzelf. 'U wilde mij nog iets vragen, geloof ik’, zei ze licht spottend. 'Over uw oma.’ Hij keek haar aan. Sloeg er inderdaad een minuscuul vonkje over tussen hen, of beeldde hij zich dat in? 'Niet over mijn oma’, zei hij hees. 'Die is zo dement als een konijn. Ik wilde u uitnodigen om een keer ergens te gaan eten. Met mij.’
Haar blik werd waakzaam. 'Waar?’ vroeg ze.
'In het Americain’, zei David, voor de vuist weg. Hij rommelde in zijn zak, en overhandigde zijn visitekaartje. 'Alstublieft.’
'David Q. Rosenbach, journalist’, las ze hardop. 'U wilt mij toch niet uithoren?’ liet ze daar wantrouwig op volgen.
'O nee!’ zei hij verschrikt. 'Het is puur… persoonlijk.’
Ze aarzelde even. Toen trok ze resoluut een kaartje uit de zak op haar boezem. 'Lucille R. Nauta’ stond erop, en verder alleen een telefoonnummer. 'Goed dan’, sprak ze koel. 'Belt u mij maar, zodra u weer helemaal in conditie bent.’