Menno Hurenkamp

3.58.38

Hardlopen is een eenzame bezigheid. De populariteit van de sport zou een van de vele bewijzen zijn dat de moderne mens lijdt aan «individualisering», een maatschappelijke kwaal die veel opduikt in media en beleidsnota’s. De moderne mens doet geen dingen meer in groepen, maar doet zijn ding liever alleen. Hij gaat liever niet meer naar een hobbyclub, sportvereniging of kerk, maar geeft zijn leven alleen vorm, thuis en zonder anderen. Hardlopers lopen hard omdat ze zich niks van anderen willen aantrekken.

Meedoen aan de marathon van New York is een van de vele manieren om te zien hoe weinig hier van waar is. Tienduizenden eenlingen verzamelen zich voor een afgesproken startpunt om vervolgens met z’n allen richting een – verafgelegen – eindpunt te hollen. Er is een code die voorschrijft dat díe prestatie op dát moment uniek is. Een groepscode die van al die zogenaamd solistische hardlopers een grote – en homogene, want witte hoger opgeleide – massa maakt.

Een blije massa, dat wel. Voorafgaand aan de start gieren de zenuwen de meute nog door de keel. Enkele duizenden individualisten wonen een openluchtmis bij waarin God in vier talen om een goede eindtijd wordt gevraagd. (Als er een God is, zou hij dan om persoonlijke records geven?) Maar direct na het startschot storten alle eenlingen zich als lemmingen richting de kilometerslange Verrazano Bridge. Om vrolijk Brooklyn in te gaan, babbelend over de in Amerika nu eenmaal onvermijdelijk meelopende Elvis- imitatie – gehuld in een angstaanjagend heet synthetisch pak. Of hoofdschuddend over het Nederland te schande makende en tragische Unox-legioen, dat loopt met oranje cowboyhoeden of klompen op het hoofd.

Al snel zijn de eenzame hardlopers omringd door tienduizenden toeschouwers langs de kant van de weg, die klappen, joelen of midden in de Bronx keiharde rockmuziek maken. De Amerikanen dragen met groot enthousiasme hun variant uit van het Olympische credo «meedoen is belangrijker dan winnen»: presteren is belangrijker dan winnen. Flauwvallen of kotsen mag, aan de finish of daarvoor, maar wie wandelt wordt luid aangemoedigd om vooral weer te gaan rennen. Ondanks de zware omstandigheden haalt meer dan negentig procent het einde. Opgeven kan niet. Het meeste applaus is er dan ook voor het Freedom-team, de ex-soldaten van wie sommigen minder dan een jaar geleden een of twee benen verloren in Irak. Nu rollen ze of hinkelen ze op een kunstbeen 42 kilometer. De rolstoel van een van hen sneuvelt op 32 kilometer en de man legt de rest min of meer lopend af. Hij haalt alle kranten.

Pas vlak voor het eind overvalt de loper even een gevoel van eenzaamheid, ondanks de dikke rijen toeschouwers langs Fifth Avenue. Een lichaam dat echt Niks meer wil en dan toch nog vier kilometer moeten: dat leed kan niemand anders op dit moment hebben. Maar de volgende dag zijn de straten van Manhattan vol met mank lopende types. Die met hun medaille om de nek rondparaderen, want dan zijn de New Yorkse felicitaties andermaal niet te overzien. Dáár heb ik nou weer niet aan meegedaan.