De tien grootste problemen

3: De opkomst van Azië

‘Gaan we mee in de wereldrace? Of kiezen we voor een breed fundament?’

Sjoerd Karsten, bijzonder hoogleraar beleid en organisatie van het beroepsonderwijs, Universiteit van Amsterdam

Medium 3

WE LEVEN duidelijk in een onzekere tijd. Dat levert niet enkel mentale vragen op, maar ook economische. Onze welvaart en ons prettige leven spreken niet vanzelf, helaas. Economisch gesproken zijn er kapers op de kust. Sjoerd Beugelsdijk en Steven Brakman, beiden hoogleraar aan de economische faculteit in Groningen, schrijven in een prikkelende bijdrage dat de kille wind van de globalisering juist de lezer van De Groene Amsterdammer zal raken en dat politiek en media geneigd zijn dit te onderschatten.

Beide economen beklemtonen nog maar eens dat de globalisering gewoon voortschrijdt en dat dit een zegen is voor de wereld als geheel. Ook Nederland profiteert hiervan, dat wordt vaak verdonkeremaand. We exporteren sinds jaar en dag meer dan we importeren. Het verlies aan arbeidsplaatsen vanwege bedrijfsverplaatsingen valt erg mee. Maar natuurlijk zijn er winnaars en verliezers. Die verliezers zijn, anders dan vaak wordt gedacht, niet zozeer de laagopgeleiden. De middengroepen staan aan meer risico’s bloot, schrijven Beugelsdijk en Brakman.

‘Waarom zou een belastingformulier niet door een veel goedkopere accountant in India kunnen worden ingevuld of een röntgenfoto van een gebroken arm niet beoordeeld kunnen worden door een radioloog in China? Dit geldt in toenemende mate voor relatief complexe taken. Door technologische en ICT-ontwikkelingen zijn bedrijven steeds vaker in staat om taken te verplaatsen naar landen waar hoger opgeleiden beschikbaar zijn die tegen een lager salaris hetzelfde kwalitatief hoogstaande werk doen. Alhoewel het Nederlandse kwaliteitsgemiddelde nog steeds hoog is, stijgt de absolute top in sommige Aziatische landen nu al uit boven die in Nederland.

Medium milo3

Dit levert een interessante verschuiving van perspectief op. Het werk van de schoonmaker of de kantinewerknemer kan niet vanuit het buitenland worden gedaan, evenmin als dat van de hersenchirurg. Globalisering raakt juist de grote groep werknemers die taken verrichten die goed te omschrijven zijn en die verplaatst kunnen worden. De relatieve schaarste aan technisch hoger opgeleiden in Nederland zal dit proces alleen maar versnellen. Kortom, het zijn niet de zeer laag opgeleiden en de zeer hoog opgeleiden, maar het is de relatief grote middengroep voor wie de kille wind van de globalisering steeds sterker voelbaar wordt.’

Arjo Klamer, hoogleraar culturele economie in Rotterdam, ziet het met lede ogen aan. De globalisering heeft een groot en voornamelijk negatief effect op onze samenleving, meent hij, want het lokale komt in het gedrang. 'In de zucht naar meer en groter dreigt een verwaarlozing van de directe omgeving. Het gevoel overheerst dat wij de grip kwijtraken.’ Maar dat is niet enkel een gevoel, op diverse terreinen is het simpelweg de realiteit.

Neem het onderwijs, schrijft de Amsterdamse bijzonder hoogleraar beleid en organisatie van het beroepsonderwijs Sjoerd Karsten. Lange tijd zijn wij er, te gemakkelijk, van uitgegaan dat enkel de rijkste westerse landen zich een goed en duur onderwijsstelsel konden veroorloven, waarmee we onze verhoudingsgewijs hoge lonen in stand konden houden. Maar nieuwe Aziatische tijgers op het wereldtoneel leggen een bom onder dit systeem. Karsten: 'Chinese leerlingen en studenten hebben er veel meer voor over (tijd, energie en ook financiële middelen) om te “excelleren” dan veel van hun westerse leeftijdgenoten. De honger naar onderwijs is in China en andere Aziatische landen heel tastbaar aanwezig. Terwijl in het Westen de klachten over “overbelasting” en “prestatiedruk” groeien en de onderwijsresultaten aan de top en ook gemiddeld beslist niet beter worden, is in Azië een tegenovergestelde beweging aan de gang.’

Dit stelt ons voor een lastig dilemma, memoreert Karsten. Gaan we mee in de wereldrace, stoppen we meer geld in de top, met als onvermijdelijk resultaat dat er 'eilanden van excellentie in een zee van middelmatigheid’ ontstaan? Of kiezen we voor een breed fundament met weinig achterblijvers, en hoe lang blijven we dan in staat dat te betalen? Karsten noemt dit zo'n fundamentele keuze dat alle andere kwesties in het onderwijs erdoor worden overschaduwd. Waarmee het gelijk van Peter van der Veer, directeur van het Max Planck Institute for the Study of Religious and Ethnic Diversity in Göttingen, ongeveer is aangetoond. Hij schrijft: 'De mate waarin globalisering en de opkomst van Azië de wereldeconomie bepalen, wordt in Nederland onderschat. Welke rol Europa (met daarin Nederland) in economisch en politiek opzicht in de toekomst zal spelen hangt af van een duidelijke analyse van fundamentele veranderingen in de wereldeconomie. Noch in de wetenschap noch in de politiek wordt hier voldoende aandacht aan besteed.’

Frank Ankersmit, emeritus hoogleraar intellectuele geschiedenis in Groningen, praat dit gebrek niet goed, maar voert allicht een verklaring aan. Volgens hem beleven wij in zekere zin 'het einde van het Westen’. 'De toekomst zal de overgang te zien geven van een unipolaire, door de VS beheerste wereldorde naar een multipolaire wereldorde waar de VS, Japan, China, Europa en (sommige) Bric-landen min of meer ex aequo naast elkaar staan. De aanpassing aan die nieuwe politieke realiteit vind ik de meest dringende maatschappelijke kwestie van nu. Hoewel je hier misschien beter van een “geopolitiek” dan van een “maatschappelijk” probleem zou kunnen spreken.’

Volgens filosofe Marli Huijer gaat globalisering gepaard met een 24-uurseconomie die veel flexibiliteit vereist opdat zo veel mogelijk mensen aan het werk komen. Maar flexibilisering heeft ook grote nadelen: 'Het belang van gezamenlijke ritmes wordt daarmee onderschat. Elk individu moet voortaan zelf bepalen wanneer hij of zij iets doet. Gevolg is dat over elke ontmoeting moet worden overlegd, de grens tussen werken en niet-werken vervaagt, het moeilijker wordt om nee te zeggen tegen een extra klus en dat rust een schaars goed wordt. Ernstiger is nog dat tijd op den duur zijn betekenis verliest, omdat vaste markeringspunten als de avondmaaltijd, de nacht of het weekend wegvallen. Alles kan op elk moment worden gedaan. Voor de cohesie in een samenleving is dat desastreus.’

Zolang de globalisering er maar niet toe leidt dat we onze verzorgingsstaat over de balk smijten, waarschuwt Barbara Vis, politicoloog aan de Vrije Universiteit. De financiële crisis heeft duidelijk laten zien dat landen met een genereus stelsel veel minder hard zijn getroffen en sneller weer opkrabbelden. Om de solidariteit in stand te kunnen houden zijn hervormingen onontkoombaar, schrijft ze. Dit vergt veeleer investeren in plaats van korten, en dat is politiek lastig maar niet onmogelijk.