3. een visioen

‘Pardon, mag ik even?’ Een hoogblonde dame van middelbare leeftijd met een bekakte stem en formidabele boezem wurmde zich langs David, die beteuterd in de deuropening stond met zijn bloemen. Hij kende haar niet. Even vreesde hij dat ze voor oma kwam, maar gelukkig ging ze bij het andere bed zitten, waar iemand onder de dekens voor mummie speelde. De blondine klopte op een lichaamsdeel. ‘Hallo Janine’, zei ze nadrukkelijk. Een mager hoofd kwam te voorschijn. Langzaam en met tegenzin ging de patiente overeind zitten. ‘Heb je sigaretten?’ vroeg ze schor. David hield meestal wel van hese stemmen, maar deze vrouw trok hem niet. Hij wist niet waarom.

Oma keek fronsend langs hem heen. Shit! Ze herkende hem niet eens. Hij kon net zo goed meteen weer vertrekken. Die rozen gaf hij vanavond wel aan Lidy, zo'n dure bos deed wonderen. Op zijn tenen draaide hij zich om, maar nauwelijks had hij twee stappen gezet of achter hem klonk een verheugd, beverig stemmetje: ‘David!’ Zijn hart werd week. Vroeger had oma hem altijd op schoot genomen en verhalen verteld uit haar jeugd, vol sneeuw en hete chocolade. Hij maakte een slalom en liep het kamertje weer binnen. Voorzichtig drukte hij een zoen op haar voorhoofd, dat wit en teer was. 'Mooie rozen’, zei ze. 'Voor mij?’ Hij knikte. Ze legde haar hand op de zijne en wendde zich trots tot het andere bed. 'Dit is mijn kleinzoon David, hij is specialist.’ David voelde dat hij bloosde. 'Journalist’, mompelde hij. Maar dat was overbodig, want de buren negeerden hen volkomen. Ze keken zwijgend uit het raam en rookten sigaretten. David was verbaasd. Hij wist niet dat je in een ziekenkamer mocht roken.
Oma begon zwakjes aan het papier rond de bloemen te plukken. 'Laat mij dat maar doen’, zei hij. Hij ging op zoek naar een vaas, maar vond alleen een zilverkleurige ondersteek in het nachtkastje. 'Ik vraag het wel even aan de zuster’, zei hij, terwijl hij naar de gang ontsnapte, opgelucht dat hij even weg kon uit die benauwde atmosfeer. Pffft. Zo te zien zou oma het nog wel even uitzingen. Taai was ze altijd geweest, ondanks haar frele verschijning. Alleen haar geest leek nogal wazig. Waarschijnlijk was ze nu alweer vergeten dat hij er was. Hij zou zijn bezoeken in het vervolg maar tot een minimum beperken.
Zoekend keek hij om zich heen. Geen kip te zien. Ook geen zuster. Opeens klok achter hem het geklingel van een lift. Voetstappen, kort, scherp en kittig. Hij spitste zijn oren. Naaldhakken? Langzaam draaide hij zich om, en zijn hart begon onbedaarlijk te bonzen.
David Q. Rosenbach bezat een levendige fantasie. Op onbewaakte momenten vulde hij het projectiescherm van zijn geest met zelfbewuste, strenge vrouwen. Vaak waren dat verpleegsters. In levenden lijve viel die beroepsgroep hem meestal nogal tegen. Maar daar, over het grijze linoleum op de achtste verdieping van het Microbe-Ziekenhuis te A., naderde het meest perfecte exemplaar dat hij ooit had gezien.