Ian McEwan

3. Saturday

Ian McEwan, Saturday (2005)

Saturday van Ian McEwan was perfect getimed. De roman verschijnt in februari 2005, vlak voor de aanslagen in Londen en vlak na de moord op Theo van Gogh, als de zenuwen nog bloot liggen. Wanneer held Henry Perowne op de eerste bladzijde kalmpjes mijmert dat de kern van het gezond verstand schuilt in ‘weten waar de grenzen liggen’ vermoed je al dat niet iedereen dat zal gaan weten op deze zaterdag. Het is bovendien niet zomaar een zaterdag, maar 15 februari 2003, de dag van de massale Londense demonstratie tegen de Irak-oorlog. En het eerste wat Perowne uit zijn raam ziet als hij te vroeg ontwaakt is een vliegtuig dat met brandende vleugel richting Heathrow afzakt. Naar later zal blijken 'geen aanslag op onze hele manier van leven’ maar een motordefect, maar de toch al onrustige lezer kan vanaf dit begin op zijn hoede blijven.

Over blikvernauwing en angst, over stemmingswisselingen en gebrekkige waarneming gaat Saturday, in vorm en verhaal geënt op de klassieke roman van Virginia Woolf, Mrs Dalloway. We volgen een etmaal uit het leven van Henry Perowne, Dalloway’s eigentijdse mannelijke evenknie, die net als zij tachtig jaar eerder in politiek spannende tijden een feestje voorbereidt, enkele mensen ontmoet, en ondertussen heden en verleden overdenkt. Geslaagde Londenaren allebei. Alleen waar gastvrouw Mrs Dalloway haar wezen ontleent aan haar verschijning, aan gladstrijken en harmoniëren, is Perowne een wetenschapper, een onderzoeker, uit op controle en begrip. Hij is al decennia blij met juridisch journaliste Rosalind en is de trotse vader van twee artistiek getalenteerde kinderen. De chirurg houdt veel van zijn werk maar weet ook goed raad met de lomere, vrije uren. Op deze zaterdag verliest hij zich in een squashwedstrijd, raakt melancholiek tijdens het bezoekje aan zijn dementerende moeder, voelt harmonie opdoemen bij het luisteren naar de bluesband van zijn zoon, en begint vervolgens innig tevreden, Steve Earle op de achtergrond, aan de bereiding van het diner (zeeduivel) voor zijn volwassen dochter en schoonvader, beiden dichter, die ’s avonds op bezoek zullen komen om een onderlinge ruzie de wereld uit te helpen. Een gezegend, scherpzinnig en weldenkend mens, deze Perowne, wiens enige gebrek is dat hij weinig geduld heeft voor literatuur. Toch wekt het ook enige irritatie: dat welbevinden, dat niet te verwoesten 'joie de vivre’ dat door McEwan pagina’s lang wordt uitgesmeerd en ondanks die scherpe blik ook iets slaperigs en zelfgenoegzaams heeft, en welhaast een dreun moet gaan krijgen omdat het leven nu eenmaal niet volmaakt is. De bom onder Perowne’s goede leven wordt gelegd door een onberekenbare indringer, ene Baxter, een man die lijdt aan de ziekte van Huntington, een erfelijke neurologische aandoening die tot dementie en uiteindelijk de dood leidt. ’s Ochtends komt Perowne in zijn Mercedes met hem in botsing. In de ruzie die volgt merkt Perowne Baxters symptomen op en verwart hij de man door ze te benoemen. Perowne ontsnapt zo, maar aan het einde van de middag dringt Baxter zijn huis binnen om verhaal te halen. Een vertrouwd fenomeen overigens in het oeuvre van Ian McEwan, zoals Zadie Smith in een interview met de schrijver opmerkte, deze kwaadaardige interventie, denk aan de 'stalker’ in Enduring Love, of het jaloerse zusje in Atonement.

Wat verraste in Saturday is dan ook niet zozeer deze voorvoelde aanval, als wel de wijze waarop de aanval weer wordt afgeslagen. Het was die ontknoping die Saturday vijf jaar geleden ook de nodige tegenstanders opleverde. McEwans roman werd niet genomineerd voor de Man Booker Prize en werd door de latere winnaar John Banville als te pathetisch weggezet in The New York Review of Books. En toegegeven: er schuilt ook enig melodramatisch effect in die ontknoping. De indringer dwingt dochter Daisy om zich uit te kleden. Een verkrachting dreigt, maar dan valt Baxters oog op haar dichtbundel op de salontafel en vraagt hij het meisje of ze er een gedicht uit wil voorlezen. Daisy draagt Dover Beach van de negentiende-eeuwse dichter Matthew Arnold voor alsof het een van haar eigen gedichten is, en ontwapent zo de aanvaller die bij de beelden van de 'rotsen van Engeland’ en de 'maan die wondermooi op het Kanaal ligt’ wegsmelt in jeugdherinneringen. Eenmaal afgeleid laat hij zich gemakkelijk overmeesteren.

Je zou het 'wishful thinking’ van de literator kunnen noemen. Daar waar de medische wetenschap tekortschoot, herstelt de poëzie de harmonie. Toch is dat een te snelle conclusie.

De echte ontknoping volgt eigenlijk pas later. Perowne wordt naar het ziekenhuis geroepen om de bij de overmeestering van de trap gevallen aanvaller te opereren. Eenmaal thuis, waar iedereen slaapt, voelt hij zich angstig, 'beducht voor de manier waarop de gevolgen van een daad zich aan je greep kunnen onttrekken’. Hij besluit dat hij de volgende dag zijn familie zal overhalen om geen aanklacht in te dienen. 'De aanvaller hoorde [in het door Daisy voorgelezen gedicht] iets wat Henry nooit heeft gehoord.’ Hij is menselijk. Hij verdient vergiffenis.

Na dit besluit kruipt Perowne in bed tegen zijn slapende vrouw aan. 'This is it’, denkt hij. Dit lijf, deze geliefden, dit huis. Een slotzin die heel prachtig zowel toedekt als openbaart. Dat dit het nu juist niet is, althans niet alleen dit, beseft de lezer.