38 leugens over de economie

Er is geen economisch debat, er lijken slechts economische waarheden te bestaan. Over loonkosten, de verhouding actieven en inactieven, het banentekort aan de onderkant en nog zo'n vijfendertig andere. De verzorgingsstaat is echter niet gestikt in zijn eerste leugen.

HET LIGT ALLEMAAL aan de verzorgingsstaat, aan de hoge lonen, aan de ‘verstikkende’ bureaucratie, aan de staatsschuld, aan de overlegeconomie, aan de wig. Daardoor gaat het slecht met de economie, of met een bepaald bedrijf, of met de werkgelegenheid, of met ons allemaal. Waar het precies slecht mee gaat, doet er eigenlijk niet toe, maar het gaat slecht. En daarom moet alles anders. De precieze invulling van die verandering is afhankelijk van de politieke gezindheid van de spreker in kwestie, maar over de globale richting heerst grote eensgezindheid: de uitkeringen en laagste lonen omlaag, regels afschaffen, de macht van de vakbond verkleinen, subsidies afschaffen, banen creeren 'aan de onderkant’. De taal wordt effectief ingezet in de strijd. Luiheidsstaat, doodknuffelen, vertroetelstaat, 'verstikkende’ regelgeving, 'activerende’ maatregelen (= bevriezen van de uitkering). Wie dacht dat we ons van het calvinisme hadden bevrijd, weet inmiddels beter. De voorgestane veranderingen ('vernieuwing!’, 'modern!’) worden voorzien van economische theorieen die door leken niet zijn door te prikken, en dus wel waar zullen zijn.

Dat is niet iets van de laatste jaren, maar nieuw is wel dat er binnen de economische wereld zelf geen debat meer plaatsvindt. Sinds Keynes heeft afgedaan, is er slechts een dominante economische theorie: die van de zo vrij mogelijke markt die vanzelf alles in evenwicht brengt. Het economische debat dat tot pakweg vijftien jaar geleden woedde, was weliswaar voor leken evenmin te doorgronden, maar het bestaan van een debat relativeerde als vanzelf de onomstotelijke 'waarheid’ van economische redeneringen. Inmiddels is 'economisch’ ongeveer synoniem met 'waar’. Progressieve economen, voor zover ze nog bestaan, onderscheiden zich slechts door het in de marge amenderen van het liberale, neoklassieke gedachtengoed. Maar misschien is deze armoe slechts tijdelijk. Een begin van nieuw denken is te vinden bij Herman Daly, een Amerikaan die stelt dat de economische theorie zou moeten uitgaan van voorraden in plaats van, zoals nu gebeurt, van stromen, ofte wel economische groei. Bepalend voor de welvaart is immers de voorraad cultuur, milieu, en kapitaal, terwijl de gangbare economische groei die voorraden juist uitput.

Behalve dat het debat tussen economen ongeveer is verdwenen, vindt er ook geen debat meer plaats tussen economen en de rest van de samenleving. Vergeten is dat economen er niet zijn om kant-en-klare recepten te leveren, maar om concepten te schetsen, waarin vervolgens keuzen moeten worden gemaakt. Een instrument ter analyse is tot maatschappelijke werkelijkheid verklaard. Van een van de pijlers waar de maatschappij op rust, is de economie gepromoveerd tot fundament: eerst de economie en dan de rest. Een fundament waarover bovendien niet valt te discussieren.

Dit zou nog te verdedigen zijn als dat fundament fantastisch in elkaar stak, maar 'de economie’ heeft er een rotzooi van gemaakt - werkloosheid, ecologische uitputting, internationale wanverhoudingen. Zoals de Angelsaksen het plegen te zeggen: 'If you’re so smart, why aren’t you rich?’ Om het tot de werkloosheid te beperken: als maatregel x zo'n fantastische oplossing is, waarom heeft die oplossing dan de afgelopen vijftien jaar niet gewerkt? Want al wordt verwoed gepoogd de indruk te wekken van radicale vernieuwing, de oplossingen die nu worden voorgesteld zijn in feite al vijftien jaar aan de gang: loonmatiging, liberalisering, overheidsbezuinigingen.
Het is altijd opletten geblazen als de voorgestane maatregelen gelijk blijven terwijl de argumentatie om tot die maatregelen te komen verandert. Blijkbaar gaat het dan niet om het probleem, maar om de voorgestane 'oplossing’. Zo moesten een tijdlang de uitkeringen omlaag 'omdat ze anders niet willen werken’. Toen uit diverse onderzoeken bleek dat die redenering onhoudbaar is, moest de uitkering nog steeds omlaag, maar nu omdat uitkeringen de kosten van arbeid te hoog maken.

Zo zijn er meer economische mythen, leugens en selectieve waarheden. Hieronder een poging ze door te prikken of van aanvullingen te voorzien. Die mythen zijn, om het zo maar even te duiden, voor het overgrote deel rechtse mythen. Niet dat rechtse mythen gevaarlijker zijn dan linkse, maar linkse mythen spelen geen enkele rol meer in het debat. Ze zijn de afgelopen vijftien jaar vakkundig doorgeprikt en vervangen door hun rechtse evenknie. Daar schoten we weinig mee op. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om een slingerbeweging terug te maken; de poging tot ontmythologisering is niet bedoeld ter omkering van de beweringen. Dat het een mythe is dat de collectieve lastendruk slecht zou zijn voor de werkgelegenheid, betekent nog niet dat verhoging van de lastendruk goed is voor de werkgelegenheid.

1. Het gaat slecht met de economie

Het gaat fantastisch met de economie. De bedrijfswinsten zijn hoger dan ooit, de export nam vorig jaar met vijf procent toe, er wordt dit jaar een economische groei verwacht van drie procent, zelfs de industrie doet het weer goed. Het enige waar het slecht mee gaat is de werkgelegenheid. Waarom dan toch almaar geroepen dat het slecht gaat met de economie? Omdat dat de enige manier is om te kunnen volhouden dat werkgelegenheid in het verlengde ligt van een florerende economie. Zo dient de werkloosheid als hefboom om (nog) meer ruimte te scheppen voor groei, winsten, investeringen. Wie toegeeft dat het goed gaat met de economie, geeft toe dat er voor het bestrijden van werkloosheid blijkbaar meer (en misschien iets heel anders) nodig is. Terwijl sinds 1960 de Nederlandse produktie ongeveer verdrievoudigde, nam in diezelfde periode de werkgelegenheid in uren slechts met een paar procent toe. Dat er desondanks bijna anderhalf keer zoveel mensen werken als in 1960, is louter te danken aan arbeidstijdverkorting en deeltijdwerk.

2. Werkgevers hebben belang bij meer werkgelegenheid

Nee, dat hebben ze niet, hoe vaak Rinnooy Kan deze mythe ook herhaalt. Dat is ook helemaal geen schande, ondernemers zijn er om goede produkten te maken tegen zo laag mogelijke prijzen. Werkgevers hebben zelfs belang bij werkloosheid, omdat daardoor de prijs van arbeid daalt. Dat 'marktmechanisme’ werkt in Nederland echter slechts zeer beperkt, dank zij de overlegeconomie en sociale zekerheid - geen wonder dat de werkgevers daar zo op gebeten zijn.

3. Het aantal 'inactieven’ nam de afgelopen decennia gigantisch toe

Dit is misschien op het moment wel de invloedrijkste fabel. Gesuggereerd wordt dat er veel minder mensen werken dan vroeger. Het percentage van de bevolking dat betaald werkt, schommelt sinds de Tweede Wereldoorlog echter tussen de 35 en 39 procent, en is nu 38,7 procent. Vanuit economisch oogpunt is er dus niets aan de hand. Wie vroeger een echtgenote onderhield, onderhoudt nu een uitkeringsgerechtigde. Het verschil is dat een uitkeringsgerechtigde 'inactieve’ heet, en een echtgenote niet (wie geen uitkering heeft en geen betaald werk, telt eenvoudig niet mee in deze statistieken).
De huidige regering heeft ongeveer het hele sociale beleid afhankelijk gemaakt van een daling van het aantal inactieven ten opzichte van het aantal actieven, de i/a-ratio in jargon. Maar die ratio kan eigenlijk niet dalen, al was het maar door de vergrijzing. Als een echtpaar waarvan alleen de man werkt, 65 wordt, veranderen ze van een actieve in twee inactieven. En over cijfers gesproken: iemand die twee uitkeringen krijgt (bijvoorbeeld een gedeeltelijke AOW-uitkering aangevuld met een ww-uitkering, hetgeen steeds vaker voorkomt) staat als twee inactieven in de boeken. Terwijl iemand die tien uur werkt slechts voor een kwart wordt meegerekend als actieve, maar als ze werkloos, ziek of oud wordt, wel volledig als inactieve telt.

4. De koppeling is onbetaalbaar

De huidige regering wil alleen 'koppelen’ (uitkeringen en minimumloon laten meestijgen met de marktsalarissen) als het aantal inactieven daalt ten opzichte van het aantal actieven. Zo niet, dan blijven de uitkeringen bevroren - met uitzondering van de AOW in tijden van verkiezingen, weten we sinds kort. Uit het voorgaande bleek al dat die i/a-ratio nauwelijks kan dalen. Maar bovendien: de betaalbaarheid van de koppeling hangt niet af van het aantal mensen dat een uitkering ontvangt, maar van de kosten voor die uitkeringen. En die kosten dalen notabene. Sinds 1985 daalt het percentage van het nationaal inkomen dat naar de sociale zekerheid gaat, en sinds kort daalt zelfs het bedrag. Niet doordat er minder werklozen, zieken of ouderen zijn, maar door aanscherping van de uitkeringscriteria en door het overhevelen van mensen van 'dure’ naar 'goedkope’ uitkeringen (van WAO naar bijstand of helemaal niks).
In feite gaat het bij de koppelingsdiscussie al niet meer over de betaalbaarheid, de (ont)koppeling wordt ingezet als anti-werkloosheidsinstrument: met een bevroren uitkering gaan de ontvangers sneller aan het werk, heet het. Dat 'koppelen’ te duur zou zijn in de zin dat het de loonkosten van de werkenden verhoogt (door een stijging van premies en belastingen) is onzin: de vakbeweging is bereid om die lastenstijging ten koste te laten gaan van het netto loon.

5. Nederland is 'hekkesluiter’ in Europa

Gedoeld wordt op de ranglijst van inkomen per hoofd van de bevolking. Daarin neemt Nederland een lagere plaats in dan pakweg 25 jaar geleden (volgens de Wereldbank is Nederland zevende in Europa en zeventiende in de wereld). Rampzalig! Maar ten eerste is de welvaart per hoofd van de bevolking in de hele Europese Unie en ook in Nederland sinds 1970 verdubbeld. De verschillen tussen landen zijn minimaal, en het is binnen die smalle bandbreedte dat Nederland een lagere positie inneemt dan voorheen.
De hele retoriek is gebaseerd op de mythe dat je alleen maar overleeft als je de grootste bent en bovendien het snelste groeit van allemaal. Alsof ieder land, ieder bedrijf, iedere haven (Schiphol, Rotterdam) die niet tot de vijf beste van de wereld behoort, gedoemd is ten onder te gaan. In die optiek heet het zelfs gevaarlijk indien een ontwikkelingsland sneller groeit dan Nederland.
Opmerkelijk is overigens dat juist in de landen waar de groei van het inkomen per inwoner iets achterbleef, de werkgelegenheid het sterkst steeg. Sinds 1984 nam het aantal banen in Nederland met twintig procent toe, terwijl dat voor de hele Europese Unie slechts vier procent was. Een verklaring zou kunnen zijn dat er enig 'efficiency-verlies’ optreedt als je het werk over meer mensen spreidt - maar liever een paar plaatsen gezakt op de 'welvaartsladder’ dan honderdduizenden extra werklozen, dunkt mij.

6. De Aziatische tijgers zitten Nederland op de hielen

Nederlandse produkten zijn in prijs vergelijkbaar met Aziatische, en goedkoper dan produkten uit andere Noord- en Westeuropese landen. Wel kan Oost-Europa (nu nog) iets goedkoper leveren, maar die landen kampen zoals bekend met enkele andere concurrentienadelen.

7. De hoge belastingen helpen het bedrijfsleven om zeep

De belasting die voor bedrijven het belangrijkste is, de vennootschaps- ofte wel winstbelasting, ligt in Nederland ruim onder het Oeso-gemiddelde (Nederland: 35 procent, Oeso gemiddeld veertig procent). Japan, Duitsland (ruim 56 procent) en de Verenigde Staten kennen een (veel) hogere winstbelasting dan Nederland.

  1. Het Bruto Binnenlands Produkt is een goede graadmeter voor ’s lands welvaart. Niet alleen de plaats op de welvaartsladder, vrijwel alles in de economie wordt afgemeten aan de (stijging van) het BBP. Maar wat zegt het BBP? Stel, meneer X heeft een huishoudster aan wie hij maandelijks 2000 gulden betaalt. Ze krijgen een relatie en trouwen, en besluiten beiden hetzelfde werk te blijven doen als voorheen. Het BBP daalt met 2000 gulden per maand. Zeer goed voor het BBP zijn daarentegen aardbevingen, overstromingen, branden en (beperkte) oorlogen, zeker indien zij plaatsvinden in rijke landen, omdat ze leiden tot grote economische activiteit. Zo is het voor het BBP ook erg goed als er vervuilde grond moet worden schoon gemaakt, of als een rivier zo vervuild raakt dat er niet meer kan worden gezwommen en er daarom een zwembad wordt aangelegd. Vandaar genoemd pleidooi van Daly.

9. Economische groei is goed voor het milieu

Er zijn milieuproblemen die met geld op te lossen zijn (bodemsanering), maar de meeste milieuproblemen (energiegebruik, uitputting van grondstoffen, afval) nemen toe bij economische groei. In theorie is er ook economische groei mogelijk die niet of minder ten koste gaat van het milieu, maar in Nederland zijn het juist de meest milieubelastende sectoren (chemie, transport, landbouw) die het sterkst groeien. De milieukosten die bedrijven moeten maken, varieren van 0,9 tot 1,8 procent van de toegevoegde waarde. Het is dus onzin als ondernemingen roepen dat milieuregels hun positie in gevaar brengen.

10. Volledige werkgelegenheid is onmogelijk

Natuurlijk is volledige werkgelegenheid wel mogelijk. Schaf alle uitkeringen af en vrijwel iedereen zal zorgen dat hij in leven blijft. Er zijn diverse draconische en minder draconische maatregelen mogelijk die wel degelijk de werkgelegenheid ten goede komen, maar waarbij het de vraag is of de samenleving er op vooruit gaat (kijk naar de Verenigde Staten). Daar moet de discussie over gaan, en niet over de vraag of volledige werkgelegenheid in theorie mogelijk is.

11. De Nederlandse loonkosten zijn hoog

De Nederlandse loonkosten zijn zeer gemiddeld voor Europese begrippen. Ze zijn lager dan in Belgie, Frankrijk, Italie en Duitsland (Nederlands belangrijkste handelspartner), aldus een onderzoek in opdracht van het ministerie van Financien. Bovendien zijn de loonkosten an sich geen belangrijke grootheid - het enige dat telt zijn de loonkosten per eenheid produkt. Dat bepaalt de concurrentiepositie. En die loonkosten per produkt zijn, dank zij de zeer hoge Nederlandse arbeidsproduktiviteit, zelfs relatief laag.
Als tegenwoordig wordt geroepen dat de loonkosten te hoog zijn, gaat het vooral over de loonkosten voor de laagstbetaalden. Het klopt dat in sommige sectoren (arbeidsintensieve diensten) de werkgelegenheid kan toenemen als de loonkosten lager zijn, maar dat heeft niets met ’s lands internationale concurrentiepositie te maken. Of een dergelijke loonkostenverlaging uiteindelijk werkgelegenheid oplevert, hangt af van waar die verlaging uit wordt betaald. Een manier is om de kosten van milieugebruik te verhogen.

12. De Nederlandse lonen zijn te laag

Degenen die dit beweren (hoogleraar en NRC-stukjesschrijver Bomhoff bijvoorbeeld) hebben het over het algemeen over de hogere functies, en daarmee is deze bewering minder tegengesteld aan de voorgaande dan het lijkt. Zij pleiten eigenlijk voor meer loonverschillen en sturen aan op een bewuste tweedeling op de arbeidsmarkt: hoogproduktieve, internationaal concurrerende, goed betalende bedrijven enerzijds; laag betaalde diensten (vaak in dienst van die hoogbetaalden) anderzijds.
Maar hoogleraar Kleinknecht, die de 'te-lage-lonendiscussie’ de laatste maanden nieuw leven inblies, bedoelde zelfs dat alle lonen omhoog moeten omdat bedrijven daardoor meer zullen innoveren (mensen vervangen door machines). Bovendien gaan dan de relatief zwakke bedrijven failliet en hou je uiteindelijk een sterker bedrijfsleven over, en het mag duidelijk zijn dat dit fataal is voor de werkgelegenheid. Bovendien is zoals gezegd de Nederlandse arbeidsproduktiviteit al zeer hoog en de concurrentiepositie goed.

13. Er zijn te weinig laaggeschoolde banen

Nee. Er zijn in Nederland even veel banen voor laaggeschoolden als er laaggeschoolden zijn. Dat staat trouwens ook keurig in de nota’s van Melkerts ministerie. Alleen worden die banen bezet door hoger opgeleiden, voor wie er te weinig hooggeschoolde banen zijn. Dat werpt een ander licht op de schier eindeloze roep om banen te creeren 'aan de onderkant’. Weliswaar moeten er heel wat banen bij komen voordat de hoog opgeleiden alle laaggeschoolde banen hebben verlaten, maar op termijn vormt een - om maar wat te noemen - technologisch onderzoeksinstituut een steviger economische basis dan extra straatvegers.

  1. Nederland kampt met een waterhoofd aan overheid en bureaucratie. Een sprookje. Het aantal ambtenaren en mensen dat werkzaam is in de gesubsidieerde sector is (als percentage van de beroepsbevolking) in Nederland lager dan in Belgie, Denemarken of Zweden, en even hoog als in Engeland. In Duitsland is het percentage wel lager. Alleen in de veiligheidssector (politie, justitie, gevangenissen) staat Nederland wat hoeveelheid ambtenaren betreft aan kop in Europa, zo ontdekte het instituut voor arbeidsvraagstukken in Tilburg. (Overigens is er geen enkele economische wetmatigheid die zegt dat ambtenaren slecht zijn voor een economie.)

15. De verzorgingsstaat veroorzaakt een tweedeling

Ja, deze gaat erg ver. Eerst heette de verzorgingsstaat vooral slecht te zijn voor degenen die het moesten betalen, vervolgens was de verzorgingsstaat ook slecht voor de ontvangers omdat het hun onafhankelijkheid tenietdoet, en tegenwoordig heet het in sommige kringen dat de verzorgingsstaat de sociale samenhang in de maatschappij heeft ondermijnd. Leve de sociale samenhang in Amerika; leve de onafhankelijkheid van de vuilnisbakkenschraper. Overigens is er in Nederland op het moment wel sprake van een slechte combinatie: terwijl de werkloosheid toeneemt, is er steeds minder plaats voor werklozen. Dat ondermijnt de sociale samenhang.

16. De werkloosheid is hoog doordat er zo weinig mensen werken

Geen grapje! In 1990 verscheen het WRR- rapport Een werkend perspectief, waarin werd onderzocht wie er eigenlijk zo weinig werken. Dat bleken, hoe verrassend, vooral vrouwen, allochtonen, ouderen en laagopgeleiden. De conclusie was snel getrokken: de 'participatiegraad’ van die groepen moet omhoog, dan daalt de werkloosheid. Sindsdien is niet het gebrek aan werkgelegenheid het probleem, maar de werkloze (die niet wil werken, of te laag is opgeleid, of te weinig produktief is). Sinds kort is de aandacht overigens weer enigszins terug bij het gebrek aan banen.

17. De lage arbeidsdeelname van ouderen is slecht voor de economie

Voortbordurend op het WRR-rapport wil de regering er alles aan doen om ouderen aan het werk te houden. Je kunt erover twisten of ouderen niet even veel recht hebben op (behoud van hun) werk als vrouwen en jongeren, maar het is onzin om dit als economisch probleem te presenteren (of het moest zijn omdat de uitkeringen van ouderen duurder zijn dan van jongeren, maar het zou schunnig zijn om hen om die reden in dienst te houden). Zolang er te weinig banen zijn, is het voor vrouwen en jongeren een zegen dat veel ouderen graag met de Vut gaan of anderszins uittreden. Volgens het CBS neemt de potentiele beroepsbevolking (iedereen tussen de 15 en 65 jaar) de komende vijftien jaar nog toe met 900.000 mensen, dus van een dreigend gebrek aan arbeidskrachten is voorlopig geen sprake.

18. Als er meer mensen zouden werken, zouden we veel rijker zijn

Het aantal gewerkte uren is economisch gezien van generlei belang. Als tien mensen genoeg zouden produceren om heel Nederland welvarend te houden, is dat geen economisch probleem. De werkloosheid is geen economisch, maar een sociaal probleem.

19. Loonmatiging is het beste middel tegen werkloosheid

Alle maatregelen tegen werkloosheid komen er op neer dat de huidige werkenden inschikken ten bate van de niet-werkenden. Als de werkenden uren inleveren (arbeidstijdverkorting) of meer premies en belastingen betalen (ten bate van extra banen in de collectieve sector) levert dat die werkenden iets op: vrije tijd of extra collectieve voorzieningen. Bij loonmatiging leveren werknemers geld in terwijl ze er niets voor terugkrijgen. Terwijl het bovendien maar de vraag is of er banen mee worden geschapen. Vreemd dat loonmatiging een zoveel meer geaccepteerde 'werkgelegenheids-'maatregel is dan atv of nieuwe overheidsbanen.

20. Algemene arbeidstijdverkorting levert geen werkgelegenheid op

Sinds kort lijkt de stemming iets te keren, maar tot nog toe leek men het er van links tot rechts over eens dat algemene arbeidstijdverkorting (een maximale werkweek van bijvoorbeeld 32 uur) geen werkgelegenheid oplevert. (Deeltijd mag wel, want dat is een individuele keuze van zowel werknemer als werkgever.) Begin jaren tachtig, toen de werkweek van 40 naar pakweg 38,5 uur ging, heeft dat toch ook nauwelijks banen opgeleverd, heet het dan. Maar ten eerste zijn de jaren tachtig een slecht voorbeeld, aangezien de atv toen (in tegenstelling tot wat men vaak denkt) veel geringer was dan in de twee decennia ervoor. Arbeidstijdverkorting kan veel beter in grotere sprongen worden doorgevoerd, omdat dat de kans vergroot dat de uren worden opgevuld met nieuwe arbeidskrachten. Maar zelfs die schamele anderhalf uur heeft volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau wel degelijk wat opgeleverd. Daarmee is voorkomen dat er ontslagen vielen, en bovendien werd de 'lucht’ uit de organisaties en bedrijven geperst, waardoor toen de economie in de tweede helft van de jaren tachtig weer aantrok, de werkgelegenheid gelijk sterk steeg.

Werkgevers zijn over het algemeen mordicus tegen arbeidstijdverkorting omdat ze het eenvoudig te lastig vinden. Dat men daar de kunst van de retoriek goed verstaat blijkt uit de verkiezingsbrochure van het VNO van vorig jaar: 'Als arbeidstijdverkorting zou werken, zou Europa de laagste werkloosheid hebben. Het tegendeel is waar, dus werkt arbeidstijdverkorting niet.’ Om een beetje actueel te blijven: 'Als dijken zouden werken, was er de afgelopen weken geen overstromingsgevaar geweest. Er was overstromingsgevaar, dus kunnen we de dijken net zo goed afschaffen.’

21. Lastenverlichting is goed voor de werkgelegenheid

Een paar jaar geleden hebben links en rechts elkaar gevonden: de netto-lonen hoeven niet omlaag, als de loonkosten maar dalen door de belastingen en premies te verlagen. De 'wig’ (over symbolisch taalgebruik gesproken!), het verschil tussen netto- en bruto- loon, moet kleiner. Of lastenverlichting inderdaad werkgelegenheid oplevert, hangt af van twee dingen: waar komt het geld voor het verlagen van belastingen en premies vandaan, en waar blijft het. De lastenverlichting van negen miljard die het kabinet in petto heeft, wordt betaald door bezuinigingen op de sociale zekerheid, en bezuinigingen op voorzieningen als het onderwijs en de arbeidsbureaus, waar dus weer banen verloren gaan. De lastenverlichting komt ten goede aan werknemers en werkgevers. Werkgevers kunnen met dit geld extra werkgelegenheid scheppen. Maar dat doen ze alleen als ze door die uitbreiding hun rendement vergroten. Zo niet, dan vloeit het geld weg naar hogere lonen, hogere winsten of arbeidsbesparende investeringen.

En wat gebeurt er met de lastenverlichting die werknemers krijgen? Zij kopen er extra boeken, auto’s en huizen voor. De werkgelegenheid die deze extra consumptie oplevert, vloeit voor een groot deel naar het buitenland (Japanse auto’s, Franse yoghurt, buitenlandse vakanties). Maar bovendien maakt het voor de economie geen donder uit of die boeken en auto’s worden gekocht door werknemers of door uitkeringsgerechtigden (of dat de overheid het geld bijvoorbeeld besteedt aan ziekenhuisbedden). Het kabinet hoopt dat er met een lastenverlichting van negen miljard 80.000 banen extra bij komen, die daarmee dus ruim een ton per stuk kosten - ruim twee keer zoveel als de kosten van een 'Melkert-baan’. Nu er zelfs van die 80. 000 banen niets terecht lijkt te komen (ondermeer door de hardnekkige weigering van werkgevers om mee te werken aan atv), heeft premier Kok al gedreigd om de lastenverlichting maar niet door te laten gaan en als overheid banen te gaan scheppen.

22. Van alles wat we met elkaar verdienen, gaat meer dan de helft naar de overheid en de sociale zekerheid

Volgens de werkgevers en politiek rechts is het een ramp dat de 'collectieve-lastendruk’ (cld) in Nederland een van de hoogste van Europa is. 'Vanaf 1 januari tot halverwege juli werken we voor de overheid, de rest van het jaar werken we voor onszelf’, stelt de VNO- brochure. Maar ten eerste komt dit door de manier waarop de cld wordt gemeten. Zo is in Nederland het bedrag aan uitkeringen relatief hoog, doordat uitkeringen bruto worden uitgekeerd, en gaan er vervolgens weer belastingen en premies van af. In veel andere landen worden ze netto uitgekeerd. Gecorrigeerd voor deze factoren, is de collectieve- lastendruk in Nederland notabene lager dan het Westeuropese gemiddelde, en ongeveer gelijk aan die van Duitsland. Afgezien daarvan is het de vraag wat er in economische zin erg is aan een hoge collectieve-lastendruk. Zoals eerder betoogd gaat het slechts om de verhouding tussen de totale loonkosten en de arbeidsproduktiviteit. Dat de totale loonkosten beslist niet de pan uit rijzen, heeft te maken met de relatief lage netto-lonen in Nederland. Gevleugeld is het gegeven dat een Nederlandse werkgever ruim drie gulden kwijt is om een modale werknemer een gulden extra te laten verdienen. So what? Het zou kunnen zijn dat werknemers geen zin hebben om hard te werken als ze van hun extra arbeid zo weinig overhouden. Maar dat blijkt, gezien opnieuw die hoge arbeidsproduktiviteit, niet het geval. Wel gaan mensen misschien minder uren werken (die extra uren leveren immers weinig extra geld op) maar dat is alleen maar gunstig voor de herverdeling van het werk.

Overigens is het vrijwel uitgesloten dat de collectieve-lastendruk zou kunnen dalen zolang de lonen in bijvoorbeeld het onderwijs en de gezondheidssector enigszins gelijk opgaan met de marktsector. De loonstijgingen in de markt worden immers 'betaald’ uit een stijging van de produktiviteit, een stijging die in de collectieve sector per definitie niet te halen is omdat de overheid sectoren onder haar hoede heeft waar nu eenmaal weinig produktiviteitsstijging te halen is. Ervan uitgaande dat het oneerlijk is om de lonen niet ongeveer gelijk op te laten gaan met de markt, is het dus kiezen tussen een stijgende collectieve-lastendruk of minder collectieve voorzieningen. Een mogelijke oplossing is de belasting- en premietarieven te laten varieren per sector.

23. Het financieringstekort en de staatsschuld hangen als een molensteen om onze nek

Bolkestein weet het altijd zo eenvoudig te zeggen: de staat betaalt dit jaar 28 miljard rente, terwijl de overheid een tekort heeft van 20 miljard. Hadden we geen staatsschuld, dan hadden we notabene acht miljard over! Die redenering volgend zou niemand ooit geld moeten lenen. De vraag aan Bolkestein is hoe Nederland eruit zou hebben gezien als de overheid nooit geld zou hebben geleend. Het antwoord is: armoedig. Overigens leent de staat het geld vooral van de pensioenfondsen, en dus van de Nederlandse werknemers. De rente die 'wij’ als Nederlandse staat betalen, betalen we dus grotendeels aan onszelf.

Vaak wordt geroepen dat de staatsschuld en het financieringstekort omlaag moeten, wil Nederland mogen toetreden tot de Europese Monetaire Unie. Inmiddels voldoet het Nederlandse financieringstekort aan de EMU-norm (Nederland is daarmee een van de braafste lidstaten). Toch wil de regering het financieringstekort verder verlagen. Overigens is het tamelijk waanzinnig dat de Europese Unie alleen financiele normen stelt en bijvoorbeeld geen norm voor de maximaal toelaatbare werkloosheid.

24. Grotere inkomensverschillen zijn goed voor de economie

Deze mythe maakt deel uit van het hoofdstuk 'wat slecht voor u is, is eigenlijk goed voor u’. Ooit werd inkomenspolitiek bedreven omwille van de rechtvaardigheid, inmiddels wordt ze nog slechts ingezet ter stimulering van de economie (en 'dus’ van de werkgelegenheid): grotere loonverschillen zijn goed voor de economie want mensen gaan er harder door werken, en door bevriezing van de laagste lonen stijgt de vraag naar arbeid. Als je omwille van de economie en de werkgelegenheid de rechtvaardigheid afbreekt, moet je er wel erg van overtuigd zijn dat het werkt.

Echter, midden vorig jaar publiceerden twee Amerikanen een vergelijking tussen 56 landen waaruit een sterk verband bleek tussen inkomensgelijkheid en economische groei (gemeten in stijging van het bbp per hoofd). Uit andere onderzoeken blijkt dat de arbeidsproduktiviteit van een land hoger is naarmate de inkomensverschillen geringer zijn (hetgeen de vooronderstelling dat mensen harder werken naarmate de loonverschillen groter zijn, tegenspreekt).

Overigens zijn Nederlanders de grootste gelijkheidsdenkers die er bestaan: slechts negen procent van de Nederlanders denkt dat grote inkomensverschillen noodzakelijk zijn voor economische groei, terwijl die mening in omringende landen veel populairder is.

25. Door een overdaad aan ontslagbescherming zijn Nederlandse werknemers inflexibel

Ook zo'n gouwe ouwe van het VNO. De arbeidsmobiliteit in Nederland behoort tot de hoogste van de Oeso-landen. Een werknemer is in Nederland gemiddeld zeven jaar in dienst bij een baas; alleen in Australie en de Verenigde Staten is men nog korter bij een werkgever. Weliswaar is deze Nederlandse score mede te danken aan het grote aantal mensen dat pas in de tweede helft van de jaren tachtig een baan kreeg (en dus ten tijde van het onderzoek nog niet zo lang werkte) maar bovendien spant Nederland de kroon in uitzendwerk, tijdelijke contracten et cetera. Minister Melkert heeft bovendien gelijk dat juist voor mobiliteit zekerheid nodig is: anders blijf je zitten waar je zit. Wat niet wegneemt dat het verschil in bescherming tussen degenen met een vast dienstverband en de oproepkrachten wel erg groot is.

26. Het minimumloon remt de werkgelegenheid

De eenvoudigste repliek is dat vrijwel alle ondernemingen hun werknemers fors boven het minimumloon betalen, dus dat blijkbaar niemand zit te wachten op lagere minimumlonen. Het is de voorstanders van afschaffing van het minimumloon echter stiekem altijd te doen om een trits: minimumloon afschaffen, uitkeringen verlagen (anders zouden de uitkeringen immers hoger worden dan de minimale lonen) en uitkleden van de vakbondsmacht, zodat deze ook geen hogere lonen kunnen afdwingen. Zo treedt ongeveer het scenario in werking van mythe nr. 10. Kernvraag rond het minimumloon is of je de werkloosheid wilt oplossen door de laagste lonen net zo lang naar beneden te brengen tot iedereen werk heeft.

27. Kijk naar de 'banenmachine’ in de Verenigde Staten, zo moeten wij het ook doen!

Kijk naar de banenmachine in Nederland! In de Verenigde Staten groeide het aantal banen sinds 1982 met achttien procent, in Nederland met twintig procent. Verschil is wel dat het in Nederland vooral te danken is aan arbeidstijdverkorting en deeltijd, terwijl in Amerika het aantal gewerkte uren sterk toenam (terwijl de beloning afnam). Hoe minder uren een totale bevolking hoeft te werken voor z'n geld, hoe beter, maar verdeel het werk dan wel goed.

28. Het is niet erg als Nederlanders minder te besteden krijgen, want de economie draait toch op de export

Ooit was er een zeer economisch argument om mensen redelijk te betalen; dan konden ze tenminste spullen kopen en waren ondernemingen verzekerd van afzet. Dat gaat niet meer op, menen sommigen, want de buitenlandse vraag is groot genoeg en de afzet is vanzelf verzekerd. Voor de werkgelegenheid gaat dit ecter beslist niet op. De bedrijven en diensten die werken voor de binnenlandse markt, zorgen in verhouding immers voor veel meer werkgelegenheid dan de grote exporterende bedrijven.

29. De algemeen-verbindendverklaring van CAO’s is slecht voor de economie en de werkgelegenheid

De 'algemeen verbindendverklaring’ (avv) houdt in dat ook ondernemingen die niet zijn aangesloten bij een werkgeversorganisatie, zich toch moeten houden aan de afspraken die tussen werkgevers- en werknemersorganisaties zijn gemaakt. Zonder avv zouden bedrijven nooit bereid zijn tot afspraken over 'goede doelen’ (over werkgelegenheid, scholing, milieu, voorkeursbeleid voor allochtonen), omdat de concurrent dan schijt kan hebben aan die afspraken. Tegenstanders van de avv menen dat werkgevers en werknemers onnodig hoge lonen afspreken, terwijl dank zij de avv iedereen verplicht is om die lonen te betalen. Hoewel er nog steeds economen en politici zijn die vinden dat de hele avv moet worden afgeschaft, is de communis opinio inmiddels dat het voor de werkgelegenheid alleen van belang is dat de laagste CAO-lonen niet te hoog zijn (dus dat deze op of vlak boven het minimumloon moeten liggen). Ondernemers zijn overigens zelf ook doodsbang voor de ratrace die zou ontstaan als de avv wordt afgeschaft.

30. 'Prikkelen’ van uitkeringsgerechtigden helpt niet

Eindelijk ook een 'linkse’ mythe, al is ook deze vrijwel uitgestorven. Prikkelen helpt natuurlijk voor een deel van de uitkeringsgerechtigden wel degelijk. Zo zal een hoogopgeleide werkloze die nu geen zin heeft om een schoonmaakbaantje van twintig uur op onmogelijke werktijden aan te nemen, dit misschien wel doen als zijn uitkering wordt stopgezet of sterk gekort. Maar daarmee neemt de werkgelegenheid nog niet toe. Hoogstens zal de ene werkloze de andere wat sneller verdringen, hetgeen sociaal kan zijn (een hoogopgeleide moet ook rotbaantjes aannemen) of juist niet (de laagopgeleide voelt zich misschien nog klotiger als hij werkloos is dan de gemiddelde hoogopgeleide). Er zijn op het moment zo'n 40.000 vacatures, tegenover anderhalf miljoen werkzoekenden. Wel zijn er soms tijdelijk moeilijk mensen te krijgen voor bijvoorbeeld seizoensarbeid in de tuinbouw (zwaar, lokaal en zeer tijdelijk werk).

31. Langdurig werklozen moeten geschoold en heropgevoed

De tienduizenden banen die er de afgelopen jaren in Nederland bij kwamen, zijn slechts voor tien procent bezet door (langdurig) werklozen. Het overgrote deel ging naar herintredende vrouwen en, in mindere mate, naar schoolverlaters. Op grond van dit gegeven worden de laatste tijd de meest draconische maatregelen voorgesteld om die langdurig werklozen alsnog aan het werk te krijgen. Prikkelen, heropvoeden, scholen, verlaging van het minimumloon, verplicht vrijwilligerswerk.
Maar wat voor banen kwamen er de afgelopen jaren bij? Vooral deeltijdbanen. Voor uitkeringsgerechtigden zijn die baantjes te klein om van te leven, terwijl ze sinds de afschaffing van de vrijstellingsregeling al het verdiende geld moeten inleveren bij de sociale dienst. Het is niet hun lamlendigheid of gebrek aan scholing die hen werkloos houdt, maar de aard van de banen in combinatie met de regelgeving. Er is wel wat voor te zeggen om langdurig werklozen een tijdlang prioriteit te geven (wat, zo lang er te weinig banen zijn, ten koste gaat van vrouwen en schoolverlaters), maar de huidige politieke fixatie op langdurig werklozen lijkt vooral voort te komen uit het feit dat zij een uitkering genieten, en herintredende vrouwen niet.

32. Het verschil tussen lonen en uitkeringen is te klein

Het verschil tussen loon en uitkering is niet klein: er zit 400 gulden tussen bijstand voor een alleenstaande en het minimumloon. Alleen voor de enkele tienduizenden mensen grote groep die een samenwonersuitkering krijgen, is er geen verschil tussen de uitkering en het minimumloon. Uit onderzoek blijkt echter dat zij niet minder snel een baan aanvaarden dan degenen die er wel sterk op vooruit gaan. Ook hier geldt: een groter verschil doet sommige uitkeringsgerechtigden misschien sneller solliciteren, maar daarmee neemt de werkgelegenheid niet toe.

33. Koopkrachtplaatjes zeggen niks, en kunnen wel worden afgeschaft

De koopkrachtcijfers van de mensen met werk, zijn inderdaad per definitie hoger dan de plaatjes doen geloven, doordat de incidentele loonsverhogingen en de extraatjes niet worden meegerekend. De koopkracht van de uitkeringsgerechtigden zal echter niet afwijken van de koopkrachtplaatjes. De werkelijkheid is daardoor nog een stuk schever dan de koopkrachtplaatjes doen geloven, maar ze zeggen dus wel degelijk iets.

34. De uitbreiding van Schiphol is goed voor 50.000 extra banen

Ten eerste gaat het volgens de voorspellingen van het CPB om 29.000 banen, en niet om 50.000 (of zelfs 55.000), zoals het kabinet de afgelopen weken beweerde. De overige 21.000 zijn banen die vanuit de rest van het land naar Schiphol zullen verhuizen. Dat alles volgens het meest optimistische scenario van het CPB, waarvan minister Zalm overigens in z'n vorige betrekking zei dat het niet realistisch is. De overheid investeert 30,8 miljard in de uitbreiding van Schiphol, omgerekend is dat ruim een miljoen per arbeidsplaats. Met hetzelfde bedrag kan in andere sectoren ongeveer tien keer zoveel werkgelegenheid worden gecreeerd.

35. Rotterdam is de grootste haven van de wereld

In tonnages gemeten is het waar. Maar een economie drijft niet op tonnages maar op toegevoegde waarde. En de samenleving drijft niet op tonnages maar op werkgelegenheid. En zowel werkgelegenheid als toegevoegde waarde is in Antwerpen groter dan in Rotterdam. Rotterdam voert vooral bulkgoederen door, terwijl Antwerpen iets met de aangevoerde waren doet.

36. De hogere inkomens worden in Nederland zwaar gepakt

Inderdaad kent Nederland een hoog hoogste tarief voor de inkomstenbelasting, dat bovendien relatief vroeg in gaat. Maar de belastingvrije som, de aftrekposten en met name de hypotheekaftrek maken dat belastingtarief ruimschoots goed. Het SCP berekende begin jaren tachtig dat als alle stromen van belastingen, premies, en subsidies worden opgeteld en afgetrokken, de hoge inkomens meer profiteren dan de lagere.

Bovendien zijn de vermogensbelastingen in Nederland relatief laag en worden pensioenkosten fiscaal ontzien. Nederland had in 1993 75.000 miljonairs met een gemiddeld vermogen van 2,7 miljoen. Een procent van de bevolking bezit inmiddels een kwart van het totale particuliere vermogen in Nederland. Ondanks de stijging van de particuliere vermogens nam de opbrengst van de vermogensbelasting de afgelopen jaren af, en hetzelfde geldt voor de opbrengst van de winstbelasting. Overigens blijkt een verschuiving van de lasten (premies en belastingen) van de lagere inkomens naar de hogere inkomens gunstig voor de werkgelegenheid.

37. Werkt maakt niet gelukkig

Dat zou de makkelijkste oplossing zijn voor de werkloosheid, maar helaas: werk maakt wel gelukkig. Van de werkenden zegt 98 procent plezier te hebben in het werk, vrijwel iedereen zegt te zullen blijven werken als men een miljoen zou winnen in de loterij. Mensen hechten in toenemende waarde aan zaken naast het werk, maar niet in plaats van werk. Vraagt men echter welke zaken men belangrijk vindt in het leven, dan komt prettig werk vrijwel achteraan - na een goede gezondheid, huwelijk, gezin, geloof (!) en vrienden. Waarmee het nut van enqueteren weer eens is bewezen.

38. De mens is een economisch wezen, een calculerende burger

Er bestaat binnen de economische wetenschap een nieuwe tak, de experimentele economie, waarbij economische vooronderstellingen worden uitgeprobeerd op echte mensen. En wat blijkt? De mens is geneigd te kiezen voor het cooperatieve belang (als we allemaal meedoen komt het uiteindelijk iedereen ten goede), en dat is nou precies het principe waarop de hele verzorgingsstaat is gebaseerd. Free riding - wel profiteren maar niet betalen in de hoop dat alle anderen dat wel zullen doen - komt veel minder voor dan economen denken. Overigens blijkt bij deze experimenten ook dat economen veel meer uit zijn op hun eigenbelang dan niet-economen. Zo geven in de Verenigde Staten hoogleraren economie veel minder giften dan andere hoogleraren (behalve als de giften worden gepubliceerd - dan zijn de hoogleraren economie er juist als de kippen bij). Dat werpt ook een ander licht op de uitkomsten van economisch onderzoek, waarbij in de regel economiestudenten als proefpersoon dienen.