Cormac McCarthy

4. The Road

Cormac McCarthy,The Road (2006)

‘Nachten donkerder dan het donker en elke dag weer grijzer dan alle voorafgaande. Als het begin van een koude staar die de wereld vervaagde.’ Zo begint The Road (2006), de tiende roman van de Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy, waarvoor hij in hetzelfde jaar de Pulitzerprijs kreeg. Zo donker en duister als op die eerste bladzijden zal het de hele roman ook blijven. The Road is een huiveringwekkend, post-apocalyptisch verhaal over een zieke vader die met zijn zoontje door een desolaat en verwoest landschap trekt, dat bedekt is met een dikke laag as en bezaaid met verkoolde en gemummificeerde lijken. Vlak voor de geboorte van zijn zoon heeft zich een nucleaire ramp voltrokken, die als een gloeiende vuurzee over het land raasde en er alles heeft vernietigd. Over de precieze aard van de ramp komt de lezer niet veel te weten. Wel dat de weinige overlevenden zich daarna als een soort tribale stammen hebben verenigd, die elkaar met wrede, barbaarse rituelen tot de laatste snik bestrijden. De vader spreekt tegen zijn zoon over twee groepen, de goeden en de slechten. De eerste groep draagt nog het 'vuur’ in zijn hart en probeert ondanks het volstrekt uitzichtloze van hun bestaan nog iets van hun menselijkheid te behouden; de laatste groep deinst er zelfs niet voor terug de eigen kinderen op te eten.

McCarthy’s indringende beschrijvingen van het verwoeste landschap zijn net zo sober, kaal en schraal als het landschap zelf. De taal is ontdaan van elke opsmuk, teneinde 'de koude, niet-aflatende kringloop van een aarde die zonder testament was gestorven’ te kunnen oproepen. Het is de wereld ten tijde van haar ondergang, die McCarthy in zijn angstaanjagende roman beschrijft. De zon kan niet meer door de dichte wolken van stof en as heen breken, de aarde is verschroeid, en op een paar verroeste conservenblikken na is er niets meer te eten. Te midden van die 'onverzoenlijke duisternis’ en die 'verpletterende zwarte leegte van het heelal’ zwerven de vader en de zoon, als 'twee opgejaagde dieren’, een gammele winkelwagen met hun laatste bezittingen met zich mee zeulend. Ze zijn op weg naar het zuiden, naar de zee, in de ijle hoop dat het wellicht daar iets beter zal zijn.

Door een bittere, vlijmende kou trekken ze zo van schuilplaats naar schuilplaats, met als enig doel het vinden van voedsel - een over het hoofd gezien conservenblikje voedsel in een verbrand huis - en uit de handen van de kannibalen blijven. Voortdurend moeten ze op hun hoede zijn, want de laatste mensen die er nog rondlopen zijn voorwaar niet de mensen die je ongestraft tegen kunt komen. In The Road is de ene mens de andere inderdaad tot wolf geworden, zoals Thomas Hobbes schreef.

Om meer dan één reden is The Road met Leviathan (1651) van Hobbes te vergelijken. Daarin beschreef Hobbes een wereld waarin iedereen totaal vrij is, omdat er geen bestuur noch wetten meer zijn, en waarin de mens elke dag opnieuw de dood vreest. Het is de toestand van oorlog van allen tegen allen - bellum omnium in omnes -, waarin nog maar één leefregel geldt: het homo homini lupus est, oftewel 'de ene mens is voor andere mensen een wolf’. Zij lopen voortdurend het gevaar dat anderen zich met geweld meester maken van hun goederen of hen doden. Alleen door zelf sterker of slimmer te zijn dan de vijanden kan dat gevaar worden afgewend. Het is precies wat we in The Road van McCarthy zien gebeuren. De vader probeert zijn zoontje en zichzelf in leven te houden door van anderen te stelen, en ook zij worden door anderen bestolen. De vraag die voortdurend tussen de bittere regels door opdoemt is de vraag die de jongen steeds opnieuw aan zijn vader stelt: 'Behoren wij nog wel tot de goeden?’

Oftewel: kun je in deze gruwelijke woestenij waar de mens gereduceerd is tot pure overlevingsdrift, nog mens blijven, nog een greintje menselijkheid behouden?

Hoewel het zoontje zijn vader keer op keer aan zijn kern van menselijkheid herinnert en zo voorkomt dat de vader, net als de anderen, aan het moorden slaat, zal het hen niet weten te helpen. Aan het einde van de roman sterft de vader van uitputting en is het zoontje op zichzelf aangewezen. Hij ontmoet een man van wie de lezer alleen maar vurig kan hopen dat hij tot de 'goeden’ behoort. The Road is aldus een dystopische roman, in de traditie van 1984 van George Orwell of recenter Oryx & Crake (2003) van Margaret Atwood en In the Country of Last Things (1987) van Paul Auster. Door het schetsen van een angstaanjagend en gruwelijk beeld van de toekomst probeert de auteur tegen bepaalde tendensen in de huidige samenleving te waarschuwen. McCarthy zal bij het schrijven niet alleen aan de dreigende klimaatcrisis en de vervuiling van het milieu gedacht hebben, maar ook aan het vormen van gevaarlijke machtsblokken in de wereld, waarbij vooral de westerse wereld zich buitensporig heeft verrijkt ten koste van anderen. Dat een dergelijke immorele en egoïstische houding uiteindelijk in een alles verwoestende ramp zal uitmonden, is de onheilspellende boodschap die McCarthy met zijn roman heeft willen uitdragen.