4. zr. nauta

Onwezenlijk als een droom liep de verpleegster met de naaldhakken door het schemerlicht van de ziekenhuisgang. Haar tred was regelmatig, haast machinaal. Het strakke uniform glansde als wit rubber. David hield zijn adem in, maar toen ze dichterbij kwam, zag hij dat haar jurk gewoon van katoen was. Daaronder staken mooi gevormde benen in ondoorzichtige zwarte kousen. Ze had slanke, stevige handen.

Naar haar gezicht durfde hij pas te kijken op het moment dat ze even stopte bij de balie in het midden van de gang. Hij vreesde dat ze misschien te jong zou zijn, te weerloos of erg onbenullig. Langzaam gleed zijn blik omhoog. Een leeftijdloos gelaat, met trekken van een klassieke schoonheid. Regelmatig, maar ondoorgrondelijk als een masker. Ze keek streng. Het asblonde kapsel stond stijf van de lak. Haar huid was erg bleek. ‘Marmer’, dacht David. 'Ze hebben haar in een Romeinse tempel gevonden.’ De groene, Slavische ogen keken naar een verre horizon. Hij had haar even willen aanraken om te voelen hoe koud ze was, maar hij deed het niet. Zonder op of om te kijken liep ze verder. Hem voorbij.
Opeens herinnerde David zich dat hij een missie had. 'Eh, zuster!’ riep hij. Ze draaide zich om en keek hem koel aan met opgetrokken wenkbrauwen. Hij begon te stotteren. 'Hebt u… kunt u me vertellen waar ik een vaas kan vinden voor mijn bloemen?’ Ze glimlachte niet en wees naar het einde van de gang. 'In de spoelkeuken’, zei ze met een lage, hese stem. De klank veroorzaakte een tijdelijke kortsluiting in zijn hersenen. 'Dank u’, zei hij zwakjes. Ze draaide hem ogenblikkelijk de rug toe. Terwijl hij braaf verder liep in de aangegeven richting haalde hij beverig adem. Hij voelde zijn hart tekeergaan. Wat was dit in godsnaam? Wellust op het eerste gezicht?
Met een afzichtelijke vaas in de hand stapte hij oma’s kamertje binnen, nog steeds overrompeld door zijn indrukken van daarnet. Hij schrok toen hij bijna tegen de verpleegster opbotste. Onaangedaan bleef ze staan. Haar blik was koel. 'Neemt u me niet kwalijk’, prevelde hij en sloeg verward de ogen neer. Vlak boven haar formidabele, puntige borsten droeg ze een badge met 'Zr. Lucille Nauta.’
'Verman je, David,’ zei hij tegen zichzelf. 'Anders kun je die hele zuster wel op je buik schrijven.’ Hij keek haar recht aan. 'Rosenbach is de naam, zuster Nauta. Fijn dat u voor mijn oma zorgt.’ Ze antwoordde niet, maar over haar gezicht gleed de schaduw van een glimlach.
Haar wegstervende voetstappen werden overstemd door gekijf van het bezoek van de patiente naast zijn oma. 'Godkolere, Janine, wat een takkewijf dat verpleegstersmokkel’, zei de geverfde blondine terwijl ze driftig haar jas aantrok. De zieke deed vermoeid haar ogen dicht, en mompelde: 'Ach kom Marie-Louise, je wist dat je hier niet mag roken.’ Met opgestoken zeilen verliet het slagschip de kamer. Davids oma keek haar na. Plotseling begon ze te giechelen. 'Wat een trul’, zei ze.