420…wittebrood…

“Kikkerbillen smaken naar kip die in groene zeep is gevallen, spinazie naar welig mos in Gaasterland”, zei de man met onvervalste messenleggerstongval, en al naar gelang de woorden die hij daarin uitsprak, deden zijn lippen denken aan die van de zuig-, zoen- of zaagvis.‘

Met een angstwekkende kreet van voldoening legde ik, na deze eerste regel van mijn opdracht tot het schrijven van een vederlichte beschouwing over de losmaking van Belgie" en Nederland, de pen neer. Vandaar alleen nog even naar de oranje winterwortel. Want die hadden we aan die scheiding overgehouden.
Kijk de groentevrouw zo onbevangen mogelijk aan en vraag om de laatste maar grootste winterwortel van het huis. Rasp de buitenkant er af en stoom ze in brokken ter grootte van kippee"ieren. Doe in de keukenmachine. Voeg toe het sap van een gewone, dus niet zogenaamde perssinaasappel, drie druppels Tabasco en wat zout. Maal tot moes. Laat koud worden, proef en verdun met melk indien nodig, en geloof mij: het is altijd nodig. Warm op en proef en er is een wonder gebeurd!
Op de tong en indien gewenst daaronder ontplooit zich het op aanrecht of elders op de werkplek nergens aanwezige oranje aroma van cantharellen. Hanekammen, zo men wil. Maar, zoals ze in Rotterdam zeggen, umistakable paddestoelenparfum. Ongetwijfeld is zo'n eenvoudig gegeven aan een essencefabriek te verkopen en met iets meer koopmansgeest zou ik op dit universele raadsel octrooi hebben aangevraagd. In plaats daarvan gaat het gewoon naar de mensheid. Onmisbaar tijdens de bijscholing van een buitengewone keukengoochelaar.
Nog even het volgende: ‘De man tegenover hem, de man met wangen als met bloed bespat wittebrood en ogen als achtkantig geslepen suikerklontjes, echte messentrekkersogen, bracht de met zacht oranje vloeistof beladen lepel zijn opengesperde mondholte binnen.’