428 …robic…

Op zo'n lauwe avond even na twaalven nog over de gracht gelopen? Waar ze het dan nog steeds over ‘inhoudelijke inbreng’ hebben?
Andere avond, ook leuk.
Het etablissement zal ik niet noemen en zij die aanzaten ook niet. De kopstukken zijn inmiddels allemaal van baan veranderd of er op de gewone wijze uitgegooid.

We kwamen aan per boot, als dat helpt. Maar uiteindelijk zat ik naast de dame van de man die het allemaal betaalde, dat wil zeggen: niet hij maar zijn bovenste baas die er niet bij was. Onze conversatie bestond niet echt, ik kon er daarnaast nog wel een paar andere in stand houden. Ze zat gewoon lekker te drinken. Laten we alles bij de naam noemen behalve de aanwezigen.
Tegenover mij zat de man die het ook niet betaalde en die eindelijk weer eens iets warms at. Dat kon je merken. Hij raakte niet uitgepraat over al die Franse toverwoordjes die ze er daar voor konden bedenken. Hij mummelde van clafoutis entre deux cervelles de veau en cromesquis sans gene maar het meest had hij het over saucisses Darrigade alhoewel ik liever over Le Petatou Jean Robic had willen zeuren.
Prater bevond zich op een vals plat van vals vermaak. Gaf niets. De zijdame keek nog eens diep in haar glas en haar minnaar, diagonaal tegenover mij, was ten overstaan van alle volle borden zijn triomfen in de exclusieve dakpannenverzamelaarswereld aan het restaureren.
Overbuurman kookte inmiddels over van de kleine ongenoegens van het grote wielrennen. Nummer een was daar ‘de verschrompeling’. Kon hij opeens heel treurig over doen, terwijl we toch nog pas zaten te eten. Wat moet ik met zo'n koudwatercoureur, dacht ik net toen de eigenaar even kwam passagieren. 'Zie je dat viertje daar’, zei hij. Ik zag ze. 'Die vroegen om meloen met ham.’ 'En?’ zei ik, want je moet een beetje meewerken.
'Ben ik het even bij de bistro hiernaast gaan halen’, zei hij stralend. 'Daar zit ik helemaal niet mee, met zulke mensen.’ Vief stapte hij weer weg.
'Daar doe je niks aan, aan de verschrompeling’, zei brillemans tegenover mij.