438 …zeeschuim…

Wat zou ik het leuk vinden als die oude, dode poes zomaar ineens de kamer binnenkwam en er gewoon weer als nieuw uitzag. Zijn vacht, in de loop van veel jaren tot een ripopee van Chateau Yquem ‘47 en afwaswater verworden, maar die ik mij nog goed kan herinneren als schuchter zeeschuim met randjes van geroosterd ijsblauw, geurde als vanouds naar uitgebloeide kamperfoelie en lichte roestvorming op een altsax.

Terwijl hij het leesbrilletje opzet en zich in de in te halen zaterdag maandagedities van het Financieele Dagblad gooit (vooral om de instructieve bijdragen over fotografie van Mirelle Thijsen, want we hebben altijd veel belangstelling gehouden voor elkaars belangstelling), zou ik opstaan en zijn lievelingskostje voor hem klaarmaken.
Kippetje de Chirico.
In de olijfolie gaat een kleingesneden ui, daarop een theelepel kaneel, twee kruidnagels en een teen knoflook en een in schijven gesneden citroen. Beetje opwarmen, beetje roeren. Voor het Chirico-effect (ook dat zal te zijner tijd omstandig verklaard worden) zeker drie laurierbladeren er doorheen vlechten. Daarop een poulet passif, dat is de normale op z'n Frans meewerkende kip, en twee glazen wijn: wit en rood naar keuze. Dat is al de tweede ripopee vandaag.
Bekende kleine vlam onder de onbekende grote kip en na een uur van vlijtig stoven en drie keer omdraaien is het zover. Saus wordt gezeefd. Voorzien van een enkele suikerklont en dikhouten hoeveelheid creme fraiche ingekookt tot sopje van welwillende stroperigheid, en jawel.
Maar janee. Die poes kwam niet binnen. Zit ik met pannetje Sjiamezezjus, waarin een ziel zich als nooit te voren weerspiegeld ziet.