442 …cyperse…

Rond de elfenbankjes in een zich in het zuiden van de Borinage bevindend bos hangt de geur van wildezwijnenzweet. Een wolk schuift weg voor de zon, het ijle struweel wordt verhit door de stralen die zich door het lover van Amerikaanse en Canadese eik heen boren en in de verte slaat het vijf uur. Diep in het hout van de klokketoren heeft zich een muurhagedis verscholen. Hij kan de winterslaap maar niet vatten en zo nu en dan bekruipt hem de gedachte aan zelfbevrediging.

Was dit Coimbra dan zou hoog boven het plein een violetgrijze wolk uitstijgen die de geur van gepofte kastanjes met zich meevoert. Maar indien Nazare, dan zag je een zwerver door de nauwe straten naar beneden sloffen, op weg naar het donkere zandstrand waar hij elke avond, liggend met de arm onder het hoofd alsof ze hem ervoor betalen, naar de zonsondergang boven Madeira kijkt.
Hier is het steeds weer Amsterdam en nergens kan je gepelde kastanjes krijgen. Hoezeer ook je neus de kruimige geur te pakken heeft en je tong het verbazend slappe maar diepe aroma omknelt. Van zelf pellen krijg je splinters onder je nagels en dan kun je een carriere als trompettist wel vergeten.
Binnenkort is het kweeperentijd. Alleen maar schillen, in witte wijn koken en in de honing gestoofd. Maar mocht er een giftige peer tussen zitten dan is het te laat. Voor het volgende.
Deze ober was mijn vriend tot dan toe niet opgevallen. De zaal was vol. In de hoek sliep, zoals altijd bovenop de piano, de cyperse poes. Zo dik als een prullenmand. Mijn vriend zegt tot op de dag van vandaag niet te weten waarom de ober plotseling zijn hoofd iets naar rechts draaide. Op het moment dat hij zijn pas even inhield. Hij leek zich langer te maken, misschien verbeelding, maar toch steeg hij een enkel ogenblik ver uit boven de massa die hem omringde. Het rokkostuum knelde hem steeds strakker om de borst. Opeens zochten klinkers en medeklinkers een voor een en vast en zeker hun weg naar het buffet: ‘Kippesoep wordt appelbol!’