Op de hoek de witte pui van een filiaal van de radiodistributie.
Geen traject dat ik beter kende. Samen met het Waterlooplein en de daarop uitkomende Lange en Korte Houtstraat was het de meest romantische explosie van verval die je je nu bijna niet meer voor kunt stellen. De oude Amsterdamse Jodenbuurt werd door de regionale overheid decennialang als het schoolvoorbeeld van een vernielde sloppenwijk overeind gehouden.
Onbewoonbare woningen werden via een opgespijkerd bordje vrolijk onbewoonbaar verklaard en intussen onverklaarbaar bewoond. Pas toen de plannen voor het stadhuis een beetje definitief werden, kwamen ze op het idee de omgeving te saneren.
Gelukkig vergaten de opeens ijverige stadsbazen wel eens wat.
Zo kun je op de Jodenbreestraat nog steeds de oorspronkelijke pui-indeling aantreffen van het pand waar mijn moeder de kruidenierswaren haalde. De winkel werd afwisselend ‘de Samenwerking’ of ‘de Cooperatie’ genoemd, maar vooral ‘de Haka’ en eigenlijk heette hij ‘De Dageraad’. Het echtpaar Rimini waren de hartelijkste mensen die ik in mijn jeugd heb gekend. Als ik daar in de winkel was verbaasde ik mij altijd weer over de dikke armen van mevrouw en de volumineuze neus van mijnheer. Ik zie die drie lichaamsdelen zo voor me. Iets verderop, in de richting van de ruine van bioscoop de Tiptop, een filiaal van Jamin. Na de oorlog verkochten ze er chocoladebeestjes voor 35 cent per ons. Iets vreemds: de leukste dieren zoals de aapjes werden het eerst opgegeten.