474 …mossel…

Letterlijk en figuurlijk. ‘Er was ook een Zwitserse kok’, zei ik. ‘Ou?’ blufte de koopman. ‘Daar natuurlijk, die Zwitsers zijn zo gefixeerd op de zee dat ze hun haring alleen eten met een oester ertussen en een mossel ernaast.’

‘Sans blague!’ pufte de parvenu. Meisje was in een tramrail gezakt, bloesde er een beetje overheen. 'Kijk, je kunt er natuurlijk ook een appeltje bij raspen, je kan hem in een Teflon- pannetje leggen, braden in ganzevet, geraspte Emmenthaler erover strooien, verstoppen in de meloen, door de kaviaar trekken, meloen erin verstoppen, paneren in scheepsbeschuit, combineren met kievitsbonen en tot een souffle verdonkeremanen…’
Ik schepte adem. Had ik niet moeten doen. De tegenpartij liet het keelgat zien: 'Het was in Parijs nooit echt moeilijk om tijdig te weten wanneer het weer omsloeg. Zijn het niet de op half zes hangende paardestaarten van de jongens van de Garde Republicaine die de Place de la Bastille voor zeven minuten zijn onstuimige odeur d'antan teruggaven, dan hoorde je het wel aan de Deux-Chevaux waarvan de remmen onverhoeds de meest pijnlijke piepgeluiden maakten. Het stedelijk vochtgehalte ging over de rode en je kon het de eerstvolgende uren of dagen wel schudden. Thuis blijven tot het in mijn hart ook ooit uitgeregend was, behoorde tot de meest saaie van alle mogelijkheden.’
Ik zag mijn kans schoon. 'Nu moet ik toch werkelijk naar huis’, stamelde ik. 'Anders valt de kat van de piano.’
'Ca va sans dire’, fluisterde mijn vriend. Behendig plukte hij Jus de Cuisson tusen de koude ijzers vandaan en hinkte weg.