487 …buikpijn…

Soms bleef hij wel erg lang in zijn katteflap liggen. Meestal wacht ik af tot hij weer voorzichtig knipogend om de hoek van de deur verschijnt. Het apostrofje aan het einde van zijn staart staat nog op de intieme gedachten van zoeven. Door scherts tracht ik mijn ongerustheid te verbergen. Met verdraaide stem “Goede morgen!” roepend, terwijl het nieuws van zes uur al begonnen is. Hij gaat zitten, oren iets naar achteren, en blijft nog minstens vijf minuten broeierig kijken.

Ik hou van hem, vooral als hij een uit de gevulde kwartel afkomstig pistachenootjes als een doffe smaragd geheel eenzaam op zijn etensbordje laat liggen, om het dan na een kwartier alsnog op te eten. De doorgesneden kwartel leek van binnen ook wel een edelsteen. Laagje eendelever en spinazie kronkelden zich allerschoonst door elkaar, daar waar eerst des kwartels eigen vieze darmen zaten. Triest voor het vogeltje dat zoiets niet mocht duren.
Ondanks al het mooie wat van ze beweerd wordt, hebben poezen niet voor zoveel dingen echt diepere belangstelling. Gelukkig maar. Vanaf de een meter vijfenzeventig die ik op hem neerkijk, ben ik afgunstig op het geringe aantal slingerpaden in zijn levensbos.
’s Morgens springt hij op bed, snuift het nachtelijk miasma op dat aan de punt van mijn neus kleeft, en gaat dan voorop in een tripje naar de koelkast, waar een halve rauwe duif in gevangen zit. Hij springt er bovenop en begint sappig te bijten. Gromt alsof hem dit buikpijn veroorzaakt.
Het contrast tussen zijn warme vel en het blote bruingrijze duivenvlees roept licht afgrijzen op, naast respect voor de eerlijkheid van de gebeurtenis.
Na afloop vertreedt hij zich nog wat op de veranda. Slaakt het begin van een verscheurende lentehymne, en werpt zich verlekkerd tegen het beton. Waar hij drie amateuristische kronkels maakt. In bontjas gewikkelde paling.
Ethisch ook weinig geschoold, poezen.