488 …patat…

Een allervriendelijkste kok, die ik om een poezenaalmoes verzocht, had zijn gift in een doosje verborgen waar normaal bonbons in verpakt zitten. Hij had er poezensnoep van gemaakt. Dat mocht, zo principieel waren we nu ook weer niet. Het viel in de smaak, eenmaal uit het doosje. Hij begon er meteen aan. Soms kijkt hij eerst nog even omhoog, nog nooit van een poes gehoord die dat ook deed. Ik leg zo'n gebaar gemakshalve uit als een bedankje. Maar het kan natuurlijk ook ‘is dat alles wat er is’ betekenen.

Ditmaal begon hij meteen aan zijn plakjes gebraden kalkoen. Ze kwamen van vrij ver. Restaurant Mirandolle, een omgebouwde maisbranderij in het oosten des lands. De chef, de kok dan, had gevraagd (hij braadde graag nog een paar nieuwe plakjes) hoe het zat met het zout en de olie waar het het hart van de poes betrof. Dat vroegen ze een mensenklant niet eens.
Ik zei maar dat hij daar niet aan deed, uit onwetendheid overigens. Eigenlijk had hij op z'n poezenveertigste ook een oproep voor de hartherkeuring moeten ontvangen. Maar daar had ik zelf destijds ook niet op gereageerd. Wie projecteerde zich in wie tenslotte, het bekende probleem sinds Voltaire. Nauwelijks mijn achterstallig werk ter hand genomen of daar deinde hij alweer binnen.
Zijn lange kattetong van roze ham aan beide zijden van de bek heen en weer wentelend. Zet zijn amorfe plastiek op een sterk punt in het interieur en houdt voor de zoveelste keer op met denken. Dat doet hij alleen als hij eet. Krachtdenken. Hij denkt met zijn poten als hij er een op het bot zet om met zijn tanden het vlees los te scheuren. Hij ziet eruit als een smid die een hoefijzer bewerkt, als een wethouder van een stadsdeelraad die in zijn wekelijkse zak patat grijpt.