5. de biograaf

`Op een dag in 1942, in het hartje van de bezetting, las ik als zeventienjarige: “Ik houd van het proza, dat als een man op mij toekomt, met schitterende ogen, met een luide stem, ademend, en met grote gebaren van handen.” Die zin sloeg zodanig in dat ik dacht: dat is mijn man die zo schrijven kan.

Het gehele verzamelde werk van Lodewijk van Deyssel heb ik vervolgens ademloos gelezen. Van Een liefde was ik zelfs zo onder de indruk dat ik de behoefte gevoelde om dat middels een briefje persoonlijk aan hem mee te delen. Waarop hij terugschreef: “Waarde vriend, een brief te ontvangen als de uwe, geeft de ontvanger een ogenblik van geluk. Mij aanbevolen houdende voor meer van dergelijke ogenblikken, Hoogachtend” et cetera.
Je moet bedenken dat ik werkelijk een erg onnozele puber was. Als iemand die weldra tachtig jaar zou worden mij zijn vriend noemt, dacht ik, dan is dat een bijzondere onderscheiding. Hierna las ik mij te pletter. Want ja, wanneer je met een beroemdheid schrijft, moet je zijn werk natuurlijk door en door kennen.
Een jaar later zocht ik hem op in Haarlem, waar hij mij toen op de proef heeft gesteld. Die elf bundels verzameld werk plaatste hij voor zich. Ik moest met mijn rug naar hem toe gaan zitten. Terwijl hij passages voorlas, moest ik bijvoorbeeld zeggen: dat staat in het zesde boek, tamelijk in het begin, even denken… op de linkerbladzijde. Na afloop sprak hij tot mij, onnozele achttienjarige: “Jij gaat later de biografie over mij schrijven.”
Dat was natuurlijk een enorme claim, die nog steeds soms als een molensteen om mijn nek hangt. Maar zonder aanmatigend te willen klinken: bij het kiezen van zijn biograaf heeft Van Deyssel een goede neus gehad. Er is sindsdien geen dag geweest dat ik niet aan hem heb gedacht.
Nadat hij in 1952 op 102- jarige leeftijd stierf, kreeg ik dus de nalatenschap. Zestig grote kisten vol papieren, dagboeken, lectuur, spoor boekjes, vloeibladen en wat al niet. Dat het schrijven van de biografie zo lang heeft geduurd, kwam ook doordat ik mij vertrouwd heb gemaakt met zijn vrienden en intimi, overal ben geweest waar hij is geweest en praktisch alle boeken heb gelezen die hij heeft gelezen.
Maar als je al zeventig bent, wil je de verschijning van die biografie zelf ook nog wel beleven. Je wilt het boek in je knuistjes houden. Ik leid daarom nu al anderhalf jaar een ascetisch leven. Terwijl anderen lekker wat gaan wandelen, moet ik elke dag vijf blocnotevellen persklare tekst volschrijven. Als alles goed gaat verschijnt het in 1997, in twee delen van elk minstens zeshonderd bladzijden.
Het eindigt heel mooi. Van Deyssel heeft een buitengewoon benijdenswaardige ouderdom gekend, tot zijn laatste levenssnik in werkelijk alles geinteresseerd en openstaand voor jonge mensen.
Tegen het meisje dat op een zaterdagmiddag zijn kamer aan het afstoffen was, sprak hij zijn laatste woorden: “Ik ben voornemens om mij daar op die divan uit te strekken, en als ik de vrijheid daarbij mag nemen jouw rechterhandje vast te houden, dan houd ik het nog vast als ik reeds in de hemel zal zijn.”
Nou! Als je toch zo oud mag worden!’