De tien grootste problemen

5: De uitputting van de aarde

‘We rijden in een auto met 130 kilometer per uur op een muur af die al zichtbaar is, maar we hopen op een wonder, want de auto is zo comfortabel’

Henriëtte Prast, hoogleraar persoonlijke financiële planning, Universiteit van Tilburg

Medium 5

VOOR de Tilburgse gedragseconoom en WRR-raadslid Henriëtte Prast lijdt het geen enkele twijfel welk probleem zwaarder weegt dan alle hierboven genoemde, namelijk onze omgang met natuur en milieu. Ze schrijft: ‘Een prangend probleem is een probleem dat niet alleen heel ernstig is, maar dat ook elke dag groter wordt. Het meest prangende maatschappelijke probleem is daarom de omgang met de natuur.’

Ze is erg bezorgd, dat is duidelijk, en zij niet alleen. Sociale problemen in Nederland vallen in het niet bij het enorme vraagstuk van de opwarming en uitputting van de aarde, menen diverse wetenschappers. Dat we dit heus wel weten, maar er vervolgens niet naar handelen, maakt sommigen ronduit kwaad. De Rotterdamse filosoof Gijs van Oenen schrijft: 'Het revanchistische voornemen om weer 130 km/u toe te staan op de snelwegen laat eens te meer zien dat er maar bijzonder geringe bereidheid bestaat om het eigen gedrag door milieufactoren te laten leiden.’

Frank Ankersmit, hoogleraar intellectuele geschiedenis in Groningen, windt er al evenmin doekjes om: 'Wij hebben nu de meest onverantwoordelijke samenleving aller tijden opgebouwd - en onze exclusieve focus op de economie is daar de oorzaak en maatstaf van.’ Dit heeft ingrijpende gevolgen voor onze omgeving, voor de leefbaarheid van de planeet en voor de toekomst van ons nageslacht, vindt hij. 'Alles is goed als het de economische groei dient en slecht als het die schaadt. Dat is de basale kortzichtigheid van onze samenleving.’
Ankersmit is bepaald niet de enige wetenschapper die de uitputting van de aarde koppelt aan ons economisch gedrag. Hans Achterhuis, hoogleraar wijsbegeerte in Twente, noemt het dominante consumentisme, niet alleen bij ons maar wereldwijd, als belangrijke boosdoener. 'De strijd om schaarse grondstoffen waar wij als consumenten niet buiten kunnen, laat ons al deels naar de pijpen dansen van de landen en bedrijven die hierover beschikken: China, Rusland, de energiemultinationals.’ Ook Achterhuis zoekt de oorzaak in onze overwaardering van materiële welvaartsgroei. Hij schrijft: 'We kunnen de natuur alleen nog redden door er een product op de markt van te maken. Het duurzaam toerisme is een van de innerlijk tegenstrijdige pogingen om de kwetsbare natuur in derdewereldlanden tegen onze overdadige levensstijl te beschermen.’
De planeet als slachtoffer van ons ongebreidelde consumptiegedrag. Ingrid Robeyns, hoogleraar ethiek en sociale & politieke filosofie in Rotterdam, noemt dit vraagstuk 'zeer urgent’. We gaan op een niet-duurzame manier met de aarde om, en daarin moet verandering komen. Maar hoe? Dat is volgens de wetenschappers nog niet zo simpel. Meer informatie vergaren gaat de oplossing niet brengen, meent Maarten Hajer, directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving: 'De kanaries zijn al lang van hun stokje gevallen. Er zijn voldoende onafhankelijke waarnemingen dat de aarde warmer wordt, zoals temperatuurmetingen en het afsmelten van gletsjers. De biodiversiteit neemt verder af, mede door uitbreiding van landbouwgrond. Sommigen denken nog dat je kunt kiezen tussen “mitigatie” (terugdringen uitstoot) en “adaptatie” (aanpassen). Alle realistische scenario’s laten echter zien dat een flinke opwarming nu al onvermijdelijk is.’ Wat hiervan precies de gevolgen zullen zijn, kunnen we domweg niet weten. Maar dat we ons linksom of rechtsom zullen moeten aanpassen, staat dus wel vast.

Socioloog Paul Dekker, werkzaam bij het SCP en tevens hoogleraar civil society in Tilburg, vermoedt dat vroeger of later de wal het schip zal keren. Er zit nu eenmaal een grens aan de aarde, en ooit lopen we daar met een harde klap tegenaan. 'De meest dringende maatschappelijke kwestie van dit moment lijkt me een aankomend wereldwijd probleem van schaarste (energie, voedsel, schoon water, grondstoffen) of van klimaat/milieu. Welk probleem het zal zijn weet ik niet. Het zou mijns inziens een groot misverstand zijn de grootste maatschappelijke kwesties binnen de maatschappij- en geesteswetenschappen te willen opsporen. Dat we voorspelde problemen van fysieke schaarste en overbelasting niet als dringend ervaren en verdringen, optimistisch technologisch relativeren, politiek internationaal onvoldoende kunnen aanpakken et cetera, dat is natuurlijk wel een vraagstuk voor psychologen, politicologen, juristen en filosofen. Het vinden of in ieder geval uitvoerbaar maken van oplossingen ook, maar dat alles maakt van het basisprobleem nog geen intern maatschappelijk probleem: het zit in de harde grenzen die de aardbol ergens aan het mensdom stelt.’

En inderdaad, dat probleem kunnen sociale wetenschappers niet oplossen. Maar ze kunnen wel inzichten aandragen en suggesties doen. Hoogleraar sociale psychologie Kees van den Bos uit Utrecht doet dat bijvoorbeeld vanuit zijn vakgebied: 'Het is een bekend gegeven in de sociale psychologie dat zaken die minder opvallen (minder saillant zijn) als minder belangrijk en als een minder groot probleem worden gezien. Mensen onderschatten de risico’s van dit soort problemen. Het milieu is hier een voorbeeld van (ver-van-mijn-bed-show voor veel mensen). Ook het probleem van de eindigheid van energiebronnen (zoals olie en aardgas) wordt door dit psychologische proces onvoldoende erkend.’ De milieucrisis is kortom niet helder zichtbaar en spreekt daardoor onvoldoende aan.

Klimaat en milieu zijn bij uitstek terreinen waar eerder besproken problemen opgeld doen. Omdat we de effecten niet direct waarnemen, onderschatten we de feiten. Daarnaast vinden mensen het moeilijk om grenzen te aanvaarden, te meer als ze zich een eenling voelen. Henriëtte Prast beschrijft dat alleszins herkenbaar: 'Wie individueel bijdraagt, merkt geen effect en ziet het resultaat van zijn inspanningen vervliegen als anderen niet hetzelfde doen. Bovendien, de individuele fietser die zich omringd ziet door auto’s weet dat hij in zijn eentje een verwaarloosbaar effect heeft.’ Prast trekt hieruit de conclusie dat mensen voorbeelden nodig hebben waaraan ze zich kunnen optrekken. Sarah de Lange, politicoloog aan de UvA, is somberder gestemd. Ze denkt dat Prasts advies vooral werkt voor de bovenlaag.

De Lange schrijft: 'Het milieu staat laag op de agenda van zowel kiezers als politieke partijen. Het is voor een zeer klein percentage van de Nederlandse kiezers doorslaggevend wanneer zij in het stemhokje staan. Bovendien neemt de aandacht van de meeste politieke partijen en de regering voor milieuproblematiek af. Deze ontwikkeling hangt nauw samen met de opkomst van het populisme. Aangezien hoogopgeleide kiezers over het algemeen het milieu eerder laten meewegen in hun stemkeuze en groene partijen doorgaans issue ownership hebben over het thema milieu, wordt het door veel laagopgeleide kiezers en populistische partijen als een speeltje van de linkse elite gezien.’

Dat die beschuldigingen ongefundeerd zijn, komt niet door. Jammer maar waar, schrijft De Lange, 'de ecologische, economische en maatschappelijke gevolgen van het onderschatten van deze ontwikkelingen kunnen desastreus en onomkeerbaar zijn’.