Tien mythes over Brussel

50.000 ambtenaren en een half kopje koffie

Voor- en tegenstanders van Europa bedienen zich van clichés en oneliners. Wat is waar en wat is retoriek? De argumenten beoordeeld en de meningen gewogen.

Euromythes waren ooit een typisch Brits fenomeen. Een krant ving een ­vermeende oekaze uit Brussel op, zette het groot op de voorpagina en heel Engeland maakte zich boos over de regeldrift van de Europese Unie. Een ­voorbeeld: Made in ­Britain Labels to Be Axed! Iedereen verontwaardigd. Het bleek te gaan om een studiedocument dat de voor- en nadelen van een Made in the EU-label op een rij zette. Niet meer, niet minder.

Tegenwoordig, in het geladen debat over de voor- en nadelen van Europa, worden we om de oren geslagen met veel grotere veronderstellingen en beweringen. Europa kost te veel geld, vaardigt een eindeloze reeks zinloze regels uit, is ondemocratisch, breidt steeds verder uit.

De beweringen zijn ideologisch – want je bent voor of tegen Europa. En daar worden vervolgens de argumenten bij gezocht. Dat viel op in de talloze gesprekken met hoogleraren, denktanks, euro-ambtenaren en waakhonden die voor dit artikel werden geraadpleegd. De meningen zijn lang niet altijd consistent. Wie bijvoorbeeld vindt dat de Europese Unie een dure bureaucratie is, vindt ook dat ‘Brussel’ maar weinig goed regelt en een prooi is voor lobbyisten.

Argumenten verzinnen bij willekeurig welke positie kan makkelijk, want Europa is een vreemde organisatie die zich moeilijk laat meten. En dus komen telkens vergelijkingen voorbij (Europa kost een half kopje koffie per dag, heeft niet meer ambtenaren dan Rotterdam) om het eigen punt op een eenvoudige manier kracht bij te zetten.

Maar daar heeft u weinig aan als in de aanloop naar de verkiezingen de komende maanden van alles en nog wat over Europa wordt beweerd. En dus hebben we de feiten op een rij gezet, de argumenten beoordeeld en de meningen gewogen.

1. De Europese Unie is ondemocratisch

Het fameuze democratische gat van Europa. Een slap Europees Parlement zonder legitimiteit, een raad van ministers met een gebrek aan transparantie en verantwoording, benoemde eurocommissarissen die niet naar huis kunnen worden gestuurd als ze de mist ingaan. Voor eurofoben zijn het argumenten om tegen de Unie te zijn, voor eurofielen redenen om juist voor meer integratie te pleiten. Maar is er wel een democratisch gat? En zo ja, hoe groot of hoe erg is dat?

Kort gezegd: de Europese democratie is een indirecte democratie. Niet zoals we gewend zijn, het is ‘anders’. Maar niet per definitie slechter of ondemocratischer. ‘De EU als geheel is natuurlijk niet één staat met één parlement dat één regering controleert. Het is een samenspel van 27 nationale democratieën en een stukje Europese democratie’, begint Luuk van Middelaar, auteur van De passage naar Europa en lid van het kabinet van EU-president Herman Van Rompuy.

Veel van de kritiek komt hieruit voort. Het Europees Parlement heeft weliswaar steeds meer macht en beslist over vrijwel alle wetten mee, maar inderdaad: het functioneert niet als een nationaal parlement dat individuele ministers naar huis kan sturen. Net zoals de Europese Commissie geen regering is, maar een apolitieke verzameling technocraten, aangevoerd door benoemde commissarissen. Maar zouden we, vragen experts zich dan af, het anders willen? We willen toch geen Europese regering? Nee. Precies.

Het gevolg is dat het indirect geregeld is. De raad van ministers, waar de belangrijke besluiten worden genomen, legt verantwoording af aan nationale parlementen. Er is geen directe Europese vertegenwoordiging, maar nationale controle. En die is, in theorie in elk geval, stevig verankerd.

Natuurlijk bestaan ook daar bezwaren tegen. Het feit dat het gekozen Europees Parlement moet optrekken met een raad van ministers uit 27 landen leidt ertoe dat de besluitvorming een proces van vele stappen is. ‘Het is niet zo dat besluiten worden genomen, het is zo dat ze gebeuren’, zegt hoofddocent Europees bestuur Sebastiaan Princen. Dat maakt controle moeilijker. Daarbij wordt de invloed van kiezers wel erg gelaagd: er was vooralsnog nauwelijks een relatie tussen de uitslag van nationale verkiezingen en besluiten in Brussel; die is er misschien nu pas, nu Europa overal een verkiezingsthema is.

Maar dat zijn allemaal niet de oude bezwaren die bijdroegen aan de mythe van ‘het democratisch tekort’ in Europa. Die gingen over een slap Europees Parlement en een gebrek aan transparantie. Die bezwaren zijn grotendeels gerepareerd. ‘Het echte democratische gat zit nu bij de nationale parlementen’, zegt hoogleraar politicologie Rinus van Schendelen. ‘De parlementen zijn dé losers van de Europese integratie. Zij zijn achtergebleven in de europeanisering; ministeries, belangengroepen, dat zit allemaal al in Brussel. De nationale parlementen krijgen een klein deel van die besluiten uit Brussel in de brievenbus.’ Oftewel: het democratische gat is een stuk kleiner dan vaak wordt beweerd, als de nationale parlementen hun controlerende werk goed zouden doen.

2. De Europese Unie wordt geregeerd door lobbyisten

De vraag is niet óf er veel lobbyisten zijn in Brussel – dat is gewoon zo. De vraag is of er een level playing field is tussen de verschillende belangengroepen. Of een grote, rijke industrie net zo veel invloed kan uitoefenen als een kleine, armlastige waakhond. Instinctief lijkt dat een retorische vraag. Toch wordt het met een stalen gezicht verkondigd, met als argument dat het draait om de kracht van argumenten, niet de dikte van de portemonnee.

Om te beginnen met de aantallen: de schattingen lopen enigszins uiteen, al zijn de meeste experts het erover eens dat er tussen de vijftien- en twintigduizend lobbyisten rondlopen in Brussel. Daarbij wordt iedereen meegeteld. Consultants van grote bureaus als Burson-Marsteller of Hill+Knowlton, die in te huren zijn vanwege hun goede adresboek. Associaties van verschillende sectoren, zoals de vereniging van adverteerders of autofabrikanten. Grote bedrijven, met een eigen European Affairs-­kantoor. Advocaten die lobbydiensten aanbieden en amendementen kunnen schrijven. Vakbonden, provincies of verenigingen uit de publieke sector. En natuurlijk actiegroepen en waakhonden als Greenpeace of Human Rights Watch.

Ook al zijn het er veel, de meest gehoorde reactie is: in Den Haag zijn ook veel lobbyisten, alleen is het daar verborgen en ingepolderd in een systeem met vaste posities. Brussel is daarentegen bewust opengegooid. Lobbyisten en belangengroepen worden uitgenodigd als expert om in een vroeg stadium mee te denken over wetgeving. De conceptwetten worden in een vroeg stadium openbaar gemaakt en aan iedereen voorgelegd, met het verzoek om commentaar. En europarlementariërs die amendementen indienen maken daarvoor vrij openlijk gebruik van de kennis en informatie van belangenorganisaties. Dat klinkt allemaal reuze eng, maar er is ook iets voor te zeggen.

De Europese Commissie kan niet én een klein, efficiënt apparaat zijn én alles zelf weten en doen. Met andere woorden: de kennis van de industrie en buitenstaanders is noodzakelijk. Belangrijker nog is dat de Europese Commissie, tenslotte niet rechtstreeks gekozen, aan de input van buitenstaanders legitimiteit kan ontlenen. Het creëert draagvlak, een achterban. De betrokkenheid van de verschillende belangenorganisaties is dus een goede zaak, vinden voorstanders.

Mee eens, als het speelveld gelijk is. En dat is het volgens critici bepaald niet. ‘Acht op de tien keer wint degene met het meeste geld’, zegt Erik Wesselius van Corporate Europe Observatory. ‘Er zijn te veel voorbeelden van kapot geamendeerde rapporten, waar de opstellers uiteindelijk maar de handen vanaf trokken. Er is simpelweg zoveel meer mankracht en middelen bij grote bedrijven, en ze hebben uiteindelijk ook veel grotere en directe belangen.’ Hij noemt voorbeelden als het stoplichtsysteem om voedsel te labelen: groen voor gezond, rood voor ongezond. Simpel en helder voor consumenten. Maar uiteindelijk kwam het er niet van. ‘Dat had niets met argumenten te maken, maar puur met de overdonderende hoeveelheid weerstand vanuit de voedselindustrie’, zegt Wesselius.

In sommige sectoren is het evenwicht evident afwezig. ‘Citigroup zit in Brussel met veertig man’, zegt voormalig lobbyist Pim van Ballekom. Terwijl er nauwelijks sterke financiële waakhonden zijn. De krachtsverhoudingen zijn ook scheef in bijvoorbeeld retail, logistiek of voedselproductie. In andere sectoren, zoals milieu en mensenrechten, zijn de niet-gouvernementele organisaties wel weer sterk vertegenwoordigd. Daar liggen de verhoudingen eerlijker. En in sommige sectoren, zoals internetvrijheid, zijn kleine actiegroepen heel effectief, zoals onlangs bleek bij het wetsvoorstel dat piraterij probeerde aan te pakken. De grote industrieën (film, muziek) delfden het onderspit.

3. De Europese Unie geeft te veel geld uit

Miljarden euro’s worden gestoken in nutteloze ontwikkelingsprojecten, in snelwegen die nooit worden gebruikt, of verdwijnen in zakken van corrupte bestuurders. Kortom: te veel geld gaat naar Brussel, dat vervolgens weinig nuttigs doet. Is dat zo?

Eerst de hoeveelheid geld. In 2012 was het budget van de Europese Unie 147,2 miljard euro, ongeveer één procent van het bruto natio­naal product van alle landen samen. Ter vergelijking: bij een gemiddelde lidstaat beslaat de begroting 44 procent van het bruto nationaal product. Een federale overheid als de Verenigde Staten spendeert een kwart van het nationale inkomen. Maar die vergelijkingen gaan mank. Er zit defensie, politie en allerlei andere zaken bij.

De vraag is of die 147 miljard van de EU te veel is. Zelf bagatelliseert Brussel het. ‘Een half kopje koffie per dag.’ Maar ook dat zegt niets. Wordt het geld op een juiste manier gebruikt, voor de juiste dingen?

De grootste kostenposten van de EU zijn het cohesiebeleid – rijke landen helpen arme – en het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Dat laatste noemt Bernard Steunenberg, Leids bestuurskundige, een ‘smet’: ‘Landbouwbeleid is een kostbaar fenomeen waar we weinig mee opschieten. Het in stand houden van bepaalde prijzen is een heel slecht instrument gebleken dat meer geldverkwistend is dan dat het wat heeft opgeleverd.’ Driekwart van de steun aan de boeren in Europa gaat via Brussel en niet via de nationale overheden. Het beleid wordt afgebouwd, het bedraagt nu veertig procent van de EU-begroting.

Ongeveer evenveel gaat naar het zogenoemde cohesiebeleid. Honderdduizenden projecten die ervoor moeten zorgen dat de kloof tussen arme en rijke regio’s kleiner wordt. Een ‘investering’, volgens eurocommissaris Johannes Hahn voor regionaal beleid. ‘Ook in uw land gaat er belastinggeld van rijke provincies naar armere provincies.’

Maar er zijn twee grote problemen. Allereerst wordt het geld vaak niet uitgegeven, of niet aan nuttige dingen. Het zijn ‘moetjes’. ‘Sommige regionale fondsen zitten boordevol geld’, zegt Fabian Zuleeg van het European Policy Centre. ‘Als er geen projecten komen, of als een land geen geld heeft om mee te financieren, dan blijft het gereserveerde geld gewoon staan voor die regio.’

Tweede probleem: de resultaten zijn niet te beoordelen. De Europese rekenkamer probeert het sinds 2001, maar heeft nog steeds geen positief oordeel kunnen geven. Nationale overheden kunnen de door hen beheerde EU-gelden niet goed verantwoorden. Ook veel van de 31 agentschappen van de EU blijken volgens recent onderzoek van de Europese rekenkamer flinke delen – in sommige gevallen tot de helft – van hun uitgaven niet te kunnen verantwoorden. 147 miljard lijkt, opgehoest met 27 landen, misschien niet zo veel. Maar als het vooral gaat naar subsidies voor boeren en moeizame projecten in regio’s verliest de EU geloofwaardigheid.

4. De Europese Unie kost ons miljarden

Dit zou een koelbloedige kosten-batenanalyse moeten zijn. Wat dragen we af en wat krijgen we daarvoor terug aan landbouwsubsidies en cadeautjes voor achtergestelde regio’s als Flevoland. Nederland is natuurlijk al jaren een van de grootste nettobetalers aan Europa. Ruim tweehonderd euro per Nederlandse burger per jaar. Totaal 3,6 miljard euro.

Nederland is al sinds begin jaren negentig in deze positie. In de jaren tachtig was Nederland netto-ontvanger, in de periode daarvoor wisselde het regelmatig. Voor de periode 2007 tot 2013 bedong Den Haag een korting van één miljard euro per jaar. Dat verzachtte de pijn iets en Nederland betaalt nu netto minder dan bijvoorbeeld Zweden of Duitsland.

Maar de vraag is of de baten alleen die paar miljard subsidies uit Brussel zijn. Sterker nog, volgens onderzoeken heeft Nederland zo veel profijt van Europa dat de nettobetaling hierbij in het niet valt. Hans Vollaard, politicoloog te Leiden: ‘Je moet de afdracht beschouwen als een soort contributie voor de vrije markt.’ En die opbrengsten zijn in 2011 vrij nauwkeurig berekend door het Centraal Planbureau: de vrije interne markt levert de Nederlanders gemiddeld een maandsalaris per jaar op, en de euro maximaal een weeksalaris. Veel meer dus dan die netto afdracht. Aldus het cpb. Hoe kan dat? Hoogleraar banking and finance Harald Benink: ‘Twee derde van ons nationaal inkomen verdienen we met export. Driekwart daarvan gaat naar Europa. De vrije markt is enorm belangrijk.’

Bij dit soort berekeningen moet je altijd rekening houden met een flinke marge – het is lastig in te schatten hoeveel er gehandeld zou worden zónder interne markt – maar de resultaten zijn volgens Benink niet overdreven. De meeste andere onderzoeken laten veel hogere profijten zien. Nico Groenendijk, hoogleraar Europees economisch beleid, benadrukt bovendien dat het niet ophoudt bij de meetbare voordelen; de winst van veiligheid en stabiliteit is niet te berekenen.

Toch zijn er kanttekeningen te plaatsen bij deze ‘winst’. Het geldt misschien voor Nederland, maar niet voor elke Nederlander. Denk aan bouwvakkers die hun baan verliezen aan Poolse stukadoors. En het blijft de vraag, van eurocritici, waarom Nederland voor die toegang tot de interne markt een hogere contributie moet betalen dan andere landen. Kwestie van solidariteit, meebetalen aan de ontwikkeling van arme regio’s, is vaak het antwoord. Maar in werkelijkheid is de interne markt voor rijkere landen vaak een betere deal dan voor armere. Josef Janning, director of studies van het European Policy Centre: ‘Een land als Duitsland profiteert meer: het kan uitbundig exporteren, terwijl het anders op nationale grenzen en anti-Duits sentiment was gestuit. Ook voor andere landen gaat dat op. De meest ontwikkelde landen kunnen lokale producten in minder ontwikkelde landen van de markt drukken. Dat geldt ook voor de Nederlandse export.’ Oftewel: we mogen dan nettobetaler zijn, in veel opzichten zijn we ook nettoverdiener.

5. De Europese Unie breidt almaar uit

De metafoor van de voortdenderende trein zonder rem. Het angstbeeld van een Europese Unie met niet alleen Turkije, maar ook Oekraïne, Georgië en Verweggistan als lidstaat. Onbestuurbaar geworden, verenigd in verscheidenheid, verwaterd door verschillen in cultuur en economische ontwikkeling.

Die angst wordt gevoed door het feit dat er nou eenmaal geen harde oostgrens is, en dat uitbreiding de core business van de Unie lijkt. Vrede, veiligheid en stabiliteit door integratie. De uitbreiding met twaalf lidstaten na 1989 moest en zou gebeuren, ook al wist iedereen dat de kandidaat-lidstaten er nog niet klaar voor waren.

Volgens sommigen is daarmee een station gepasseerd: door dat toe te staan is de weg bereid voor alle anderen. Niet alleen omdat het de facto bevestigde dat uitbreiding puur politiek is, maar ook omdat het karakter van de Unie er zodanig door veranderde dat nóg meer landen inmiddels eigenlijk niet zo veel meer uitmaakt.

En inderdaad, het houdt voorlopig niet op. Er zijn nog vier kandidaat-lidstaten waarmee officieel gesproken wordt (Kroatië, Macedonië, Montenegro en Servië) en nog twee andere Balkan-landen die er uiteindelijk heus bij gaan komen (Albanië en Bosnië-Herzegovina, als het niet uiteenvalt). Die landen liggen praktisch in het hart van Europa. ‘Bovendien’, zegt de Belgische politicoloog Hendrik Vos, ‘als landen uiteindelijk hun huiswerk doen, wat wij jaren geleden van ze gevraagd hebben, dan kun je moeilijk zeggen: prima gedaan, maar wij hebben de zaken nog niet helemaal op orde, blijf nog maar even buiten staan.’

Dat betreft de huidige kandidaat-lidstaten. Maar verder? Er wordt vaak over gesteggeld of de grens bepaald wordt door geografie, democratie, politici of de kiezers. Het antwoord is: door allemaal. En daarom is het idee dat de Unie almaar verder uitdijt ook niet juist. Niet meer, althans.

Om te beginnen geografie. Er is misschien geen oostgrens, maar wel een duidelijke zuidgrens. ‘Marokko stuurde eens een briefje of ze mee mochten doen. Ze kregen een vriendelijke afwijzing; omdat ze niet in Europa lagen’, zegt Luuk van Middelaar.

Bij democratie wordt altijd gerefereerd aan de zogeheten Kopenhagen-criteria, de toetredingseisen als rechtsstaat, eerlijke verkiezingen, respect voor mensenrechten en zoiets vaags als ‘waardengemeenschap’. Volgens eurofielen verwelkomt Europa de landen die bereid zijn die waarden te omarmen. Maar zelfs volgens Josef Janning, voorstander van uitbreiding, betekent het ook dat bijvoorbeeld Rusland en Turkije nooit zullen toetreden. ‘Omdat ze zichzelf als speciaal zien en niet willen functioneren onder andermans regels.’

En dan de politici. ‘Als je zoekt naar de grenzen moet je het zoeken waar de bestuurbaarheid stopt. Met hoeveel landen kun je samen wetten maken’, zegt Vos, die twee boeken schreef over besluitvorming in de EU. Die grens lijkt bereikt. ‘In een Unie van tien, twaalf lidstaten was het overzichtelijk, kon je dingen vrij gemakkelijk met elkaar regelen. Nu is het te groot. Als je niet oppast wordt het een Poolse landdag’, zegt oud-kabinetschef Pim van Ballekom.

Daar komt nog bij dat elk nationaal parlement vetorecht heeft. Daarmee is de publieke opinie uiteindelijk de ultieme rem op uitbreiding. En in veel landen ondersteunt het publiek het grotere Europa niet langer. De posities zijn verhard. De tijd dat de toetreding kon worden afgekocht met economische groei is voorbij.

6. De Europese Unie heeft een enorme bureaucratie

Een stroperige en dure bureaucratie met een enorme hoeveelheid ambtenaren, die een eindeloze hoeveelheid regeltjes produceren. Nog erger dan Den Haag.

Volgens cijfers van de Europese Commissie bestaat het hele ambtelijke apparaat, inclusief agentschappen, uit zo’n vijftigduizend ambtenaren, die samen beleid maken voor zo’n half miljard Europeanen. Dat zijn geen slechte cijfers, en Brussel schermt graag met deze verhouding van één ambtenaar op tienduizend burgers. Eurosceptici, zoals de eurokritische Londense denktank Open Europe en de SP, komen op veel hogere aantallen. Zij rekenen ook de nationale ambtenaren mee die zich met Brussels beleid bezighouden en komen op ruim drie keer zo veel. Maar dat is, volgens hoogleraar Europees economisch beleid Nico Groenendijk, geen zinvolle vergelijking: in Nederland tellen we gemeenteambtenaren die zich met rijksbeleid bezighouden ook niet mee.

Blijft de vraag of het er te veel zijn. Er worden meestal vergelijkingen gemaakt die veelal mank gaan. Om te onderstrepen dat Brussel echt klein en efficiënt is wordt vaak gezegd dat er net zo veel ambtenaren werken als in pak ’m beet ­Berlijn. Maar Berlijn heeft ook een vuilnis­ophaaldienst, terwijl de EU voornamelijk uit hoogopgeleide, goedbetaalde beleidsambtenaren bestaat. Ook een vergelijking met de Verenigde Staten (veertig keer zo groot) gaat mank; bij hen is defensie een federale taak, in Europa niet.

Misschien niet veel ambtenaren dus, gezien het enorme beleidsterrein en de gigantische bedragen die er omgaan. Maar de kosten? Al die stukken in 23 talen vertalen (ruim een miljard euro per jaar). Al jaren gaat een kleine zes procent van het volledige Europese budget op aan de administratie. Wederom een stuk minder dan de Nederlandse rijksoverheid (bijna dertig procent), maar daar zit dan weer de belastingdienst bij, of de rijkstoezichthouders. Het is niet te vergelijken. En toch, hoe je het ook bekijkt, volgens hoogleraar politicologie Rinus van Schendelen is de Brusselse bureaucratie minuscuul. ‘De Haagse overheid minus de zbo-achtige organisaties als leger, politie en onderwijs heeft één ambtenaar op de 133 inwoners. De Commissie heeft er één per 20.800 EU-inwoners. Harde cijfers liegen niet!’ Vrijwel alle experts delen die mening.

Maar is het niet heel bureaucratisch? Politicoloog Ben Crum zegt van wel, maar benadrukt dat bureaucratie, zoals Max Weber het ooit bedacht, niet negatief is: ‘Bureaucratie is controle. Als je dat niet hebt, is er willekeur.’ Precies dát is het idee achter de vele formulieren – meer dan op nationaal niveau – die ingevuld moeten worden. ‘Als je subsidies wilt verdelen over 27 landen, dan is bureaucratie het enige middel om het te controleren. Veel mensen die klagen over bureaucratie zijn ook de eersten die klagen over subsidies die naar niet-benutte olijvenplantages gaan. Het is het één of het ander. Ik denk niet dat Europa, gezien de omstandigheden, overdreven bureaucratisch is.’

7. De Europese Unie schrijft tachtig procent van onze wetten voor

De Europese Unie vaardigt elk jaar vele honderden wetten uit, variërend van verregaande richtlijnen tot besluiten in individuele gevallen. Het aantal wetten is sinds de jaren tachtig explosief gestegen doordat Brussel steeds meer is gaan doen: niet alleen de interne markt opengooien en houden, maar ook allerlei andere grens­overschrijdende terreinen van milieuwetgeving en landbouw tot transport en consumenten­bescherming.

Open Europe rekende in 2007 uit dat als we alle Europese wetgeving die op dat moment van kracht was in de lengte achter elkaar zouden leggen de afstand een marathon zou overtreffen. Een ‘gemiddeld persoon’ zou dus vier uur moeten rennen om de rij wetten te passeren. Wat dat zegt? Geen idee. Maar de achterliggende boodschap is duidelijk: al deze wetten moeten op nationaal niveau geïmplementeerd worden. Hoeveel ruimte blijft er dan nog over voor eigen, nationaal beleid? Twintig procent, als we veel journalisten, denktanks en vooral politici moeten geloven. De rest komt uit Brussel, zegt iedereen elkaar na.

‘Het merkwaardige is dat zowel voor- als tegenstanders er belang bij hebben de invloed van Brussel heel groot voor te stellen’, zegt de Utrechtse bestuurskundige Sebastiaan Princen. ‘Voor voorstanders is het een teken dat verzet zinloos is en we wel mee moeten met Europa. Voor tegenstanders is het een duidelijk bewijs dat er een nieuwe superstaat aan het ontstaan is waarbij wij geen enkele ruimte meer hebben.’ Maar het getal is nergens op gebaseerd. Het is een mythe.

Een paar jaar geleden woedde er een verhit academisch debat over de invloed van Europa op de nationale wetgeving. Juristen en bestuurskundigen turfden het aantal wetten dat direct aan Europese regels refereerde. In verschillende onderzoeken, ook in andere Europese landen, was de uitkomst vergelijkbaar: ongeveer één op de vijf wetten was beïnvloed door Europa. Hoewel de methode niet feilloos werkte, is het onzin dat de tachtig procent ook maar bij benadering gehaald wordt. Bovendien bleken uit onderzoeken enorme verschillen per rechtsgebied: het Asser Instituut berekende dat twee derde van de milieuwetgeving door Europa beïnvloed was, terwijl dat voor slechts zes procent van de onderwijswetten gold.

Waar komt die tachtig procent dan vandaan? Wie heeft de mythe de wereld in geholpen? In 1988 voorspelde Jacques Delors, toenmalig voorzitter van de Europese Commissie, dat na tien jaar tachtig procent van de wetgeving op economisch gebied, en misschien ook op het terrein van belastingen en sociale zaken, uit Europa zou komen. Dat getal is een eigen leven gaan leiden.

8. De Europese Unie overspoelt ons met zinloze regels

Idiote voorschriften die het leven van ondernemers nodeloos gecompliceerd maken. Er wordt zo veel over geklaagd dat de Europese Commissie een speciale website aanmaakte om bijna zeventig ‘euromythes’ – meestal uit Britse kranten – te ontzenuwen. Voorbeelden genoeg. Mag een schilder op een ladder staan? En hoe lang mag die ladder zijn? Hoe groot mag een kinder-surprise-ei zijn? Hoe krom een banaan? Moet Brussel dit allemaal regelen?

Als je een vrije interne markt wilt hebben: ja. De Twentse jurist Ramses Wessel noemt het een ironisch, maar ‘hoe vrijer je de markt wilt ­houden, hoe meer regels je nodig hebt’. Paradoxaal is het, vindt ook de Gentse politicoloog Hendrik Vos, maar ‘er zit een reden achter waarom de EU op het oog pietluttigheden reguleert’.

Neem dat surprise-ei dat aan zeer specifieke eisen moet voldoen: de omvang van het binnen-ei staat vast en de helften moeten vastzitten met een scharniertje. Waarom? Vos: ‘Een paar jaar geleden stikte in een van de lidstaten een baby in zo’n surprise. Toen gingen er stemmen op om ze te verbieden, terwijl andere landen dat niet wilden. Dan heb je een probleem op één Europese markt. Dan gaan mensen de grens over om ze toch te kopen. En dat kost weer controles en politie-inzet.’ Alle producten moeten aan dezelfde voorwaarden voldoen, anders is er oneerlijke concurrentie. Zeker bij landbouw gaat dat ver. Van elk product is beschreven hoe het verbouwd moet worden; dat gaat van het uitrijden van mest en eisen aan kwaliteit tot aan wat je verstaat onder een goede komkommer (niet te krom).

Pim van Ballekom, als voormalig kabinetschef van Frits Bolkestein jarenlang verantwoordelijk voor dit soort regeltjes, geeft toe dat ze vaak in eerste instantie idioot klinken, maar dat ze toch echt noodzakelijk zijn in de strijd tegen protectionisme van lidstaten. Zo stelt Brussel eisen aan de palletjes op geisers. Van Ballekom: ‘Eerst dacht ik: wat een onzin. Maar zonder die regels sta je landen toe hun markt af te sluiten. Dan eist Italië dat er alleen geisers met een Italiaans palletje verkocht mogen worden.’ Regels houden de markt open en volgens Nico Groenendijk zijn ze uiteindelijk voordelig voor de consument.

Bestuurskundige Bernard Steunenberg: ‘Natuurlijk is er altijd een heel rare richtlijn of bepaling in een richtlijn op te duiken, maar dat zijn de unica, en eerlijk gezegd kom ik ze zelf maar zelden tegen. Dat is een beetje spijkers op laag water zoeken. Het bepaalt de stemming, maar je gaat voorbij aan de hoofdmoot, 95 procent van de problemen die wél gemeenschappelijk wordt aangepakt.’ Dat er heel veel regels bestaan is bepaald geen mythe – zo steeg het aantal Europese besluiten in de afgelopen dertig jaar van dertienhonderd naar ruim zeventienduizend, en verdriedubbelde het aantal actieve richtlijnen. Dat het overgrote deel daarvan zinloos is, is wel een fabel.

9. De Europese Unie leidt tot verlies van nationale identiteit

Hoe meer Europese integratie, hoe meer aantasting van de nationale cultuur en identiteit – dat is kort gezegd de angst van eurocritici. Tegelijk is het impliciet de hoop van federalisten: hoe sterker de Europese identiteit van burgers, hoe beter.

Maar het is niet waar dat meer Europese samenwerking leidt tot verlies van nationale identiteit. Onderzoek na onderzoek wijst uit dat burgers zich in eerste instantie associëren met hun eigen land en in veel mindere mate met Europa – wat dat dan ook is. Natuurlijk, het ­verschilt per land en hangt ervan af wat je precies vraagt, maar het gevoel van verbintenis is telkens duidelijk. Eerst land, dan Europa. Uit de Eurobarometer 2010: ‘Bijna alle respondenten voelen zich het meest verbonden met hun eigen land (…) Dat is het geval in alle EU-­lidstaten.’

Het idee dat politiek (meer democratische participatie, een sterker Europees Parlement), onderwijs (uitwisselingsprogramma’s, Europese geschiedenisles in de klas) of sociale cohesie (de samenhang tussen de Europese landen vergroten) een bijdrage zou kunnen leveren aan een Europese identiteit is eigenlijk in de afgelopen decennia gelogenstraft. Hoe graag sommige EU-ambtenaren het ook zouden willen, de tendens is eerder omgekeerd. ‘De bepalende factoren voor nationale identiteit zijn veranderd sinds 2009. De nadruk op meer subjectieve concepten (gevoel, delen, geloof) neemt af, terwijl er een groeiende nadruk is op de meest objectieve, concrete concepten (geboorteplaats, waar opgegroeid, taal, burgerrechten)’, staat in de Eurobarometer.

Twee kanttekeningen. In de eerste plaats sluit het een het ander niet uit. Een sterke nationale identiteit kan samengaan met een Europese. Zeker in veel Oost-Europese landen is dat het geval. Daar voelt een meerderheid zichzelf ook tegelijk Europeaan. In Italië en België trouwens ook. Ten tweede: door de crisis is het gevoel van verbondenheid waarschijnlijk vergroot, al is dat eerder lotsverbondenheid dan identiteit. Van een ‘hutspotidentiteit’ (Van Schendelen) is geen sprake.

10. De Europese Unie schrijft ons de begroting voor

Met het verdrag van Maastricht werd het bepalen van de rente, het beïnvloeden van de inflatie en andere instrumenten van de centrale bank om de economie te managen overgedragen aan de Europese Centrale Bank. Dat is bekend, en bepaald geen mythe. Maar onze begroting was en bleef uiteraard nationaal. Het ultieme primaat van de nationale regering. Tot nu.

‘De werkelijke soevereiniteit over het eigen fiscale beleid is verdwenen tijdens de schuldencrisis’, zegt Josef Janning, director of studies van het European Policy Centre. Dat is evident bij Griekenland, dat onder curatele staat. Of bij Ierland en Italië, die aan strenge hervormingseisen moeten voldoen. Wie betaalt (Duitsland) bepaalt (wat de ander moet bezuinigen). Maar het geldt net zo hard voor Nederland, meent Janning. Door de crisis zitten alle landen steeds steviger ingekapseld in de Europese regelgeving. In de praktijk ontneemt het nieuwe begrotingsverdrag de laatste autonomie.

Niet voor niets noemde Angela Merkel het verdrag (dat in 2013 in moet gaan, als twaalf landen het ratificeren) ‘een stap in de richting van een politieke unie’. Voor de Britten en de Tsjechen was het een reden niet mee te doen.

Wat staat er nou precies? In de eerste plaats dat er geen tekort op de begroting mag bestaan – dus geen drie procent, maar hooguit een half procent. Verder dat als er toch een tekort is, ‘automatisch een correctiemechanisme’ in werking treedt. Landen moeten dan bezuinigen op basis van door de Europese Commissie te bepalen maatregelen.

Niet voor niets boog het Duitse constitutionele hof zich in december 2011 al over de vraag of een dergelijk verdrag niet in strijd zou zijn met de grondwet – of het wel kón, een euro­commissaris die Duitsland de eigen begroting voorschrijft. Het werd als lastige vraag gezien, en niet handig op een moment van crisis en noodzaak tot daadkracht.

De ontsnapping is dat ‘de prerogatieven van de nationale parlementen’ hierbij overeind blijven. Oftewel, landen mogen nog zelf instemmen met de vereiste bezuinigingen. De grote vraag is hoe vrij ze daarin zijn en hoe ver Brussel inhoudelijk gaat: creëert het verdrag alleen de kaders, of bepaalt de verantwoordelijke eurocommissaris straks ook hoe en waarop er bezuinigd moet worden. Het antwoord, volgens alle experts: dat hangt ervan af hoe slecht een land ervoor staat. Hoe meer aan het infuus, hoe strenger het toezicht, hoe minder begrotingsvrijheid en hoe ingrijpender, inhoudelijker en gedetailleerder de eisen.