525.000 woorden

Jarenlang gaf onze dochter me met vaderdag als cadeau een tekening van iemand die op een bank ligt. Of ze knutselde op de lagere school van piepschuim een miniatuursofa. Daarop had ze een piepklein boekje of een tot postzegelformaat teruggebrachte Donald Duck bevestigd. In de sofa zat dan een presentje verborgen: meestal een pen. Zo zag ze me dus: haar vader lag op de bank te lezen. Te niksen. Er kwam niets uit zijn handen, wanneer er in huis geklust moest worden, deed haar moeder dat.
Enig weerwoord had ik niet. Wat had ik graag Couperus’ verhaal aan haar verteld! Veel Hagenaars vroegen zich af wanneer hij schreef. Ze merkten er nooit iets van, hij bezocht zo ongeveer alle soirees, presentaties en openingen. En hij had het nooit over zijn boeken. Later bleek dat hij iedere ochtend van tien tot twaalf uur schreef, niet één keer in de week, maar altijd. Hoeveel kun je in twee uur met een kroontjespen schrijven? Dat valt allemaal reuze mee: toch al snel 1500 woorden. En Couperus hoefde er niet veel in te veranderen, dat had hij dan weer. Per jaar is dat dus pakweg 525.000 woorden. Als je weet dat een roman van 300 pagina’s ongeveer 100.000 woorden telt, dan kun je snel uitrekenen hoe Couperus aan al zijn boeken kwam. Hij schreef ze ’s ochtends en stortte zich vervolgens in het Haagse uitgaansleven om het allemaal in het echt te zien en te horen.
Dit laatste doe ik dus af en toe ook wel, maar voor de rest fiets ik alleen bewonderend langs het Couperushuis. Verdomme, die Couperus. Ja, als ik zo zou werken, moest je eens kijken wat er dan ging gebeuren. Twee uur per dag schrijven, het moet toch te doen zijn, ik heb ideeën genoeg, laatst nog een plan voor een trilogie over een familie met een duister verleden. Of een roman over een grootvader die met een pleegzoon met aapjes en hondjes op dorpspleinen en kermissen optreedt. Ik was die grootvader. Of heb ik dat verhaal al ergens anders gelezen?