6. een koude wind

Met enige moeite parkeerde David zijn auto op twee straten afstand van het ziekenhuis. Het motregende. In de hal kocht hij een wenskaart met ‘Word Gauw Beter, Lieve Oma’ in een opwelling die hij onmiddellijk betreurde. Purperen violen sierden de voorkant en de kaart had verdacht veel weg van een rouwbericht. Maar oma was verrukt. ‘Voor mij?’ kirde ze. ‘Jongen, wat prachtig.’ Het klonk alsof ze dacht dat hij haar achttienjarige aanbidder was. David geneerde zich een beetje. ‘Hoe gaat het met je, oma?’ informeerde hij voorzichtig. ‘Geweldig’, zei ze blij. ‘Ik mag al heel snel naar huis.’

Hij schrok. Dat kon toch niet waar zijn? Maar voordat hij verder kon vragen, vielen haar ogen dicht. Het gerimpelde hoofd zakte achterover. Oma sliep. Haar mond stond open en ze snurkte zacht. Schaapachtig bleef David zitten. Hij staarde in haar mondholte. Toen schoot hem plotseling te binnen dat hij nu een volmaakt excuus had om een gesprek met zuster Nauta aan te knopen. Als ze er was tenminste. Hij hoorde iemand lopen op de gang. David voelde zijn hart bonzen. Maar dit waren niet de naaldhakken die hem eergisteren zulke warme rillingen hadden bezorgd. Hij keek op. In de deuropening stond een gracieuze neger in een lange, rode jas. Hij glimlachte verlegen naar David. Toen liep hij sierlijk naar het andere bed, waar de patiente zich weer diep onder de dekens verstopt had.
‘He meid’, zei de bezoeker met een hoge uithaal. 'Word eens wakker.’ David had niets tegen negers of homo’s - dat wist hij vrij zeker - maar hij had moeite met extravagant gedrag. Hij kon er niet tegen als mensen hem het gevoel gaven dat hij saai was. De patiente zelf reageerde eerst nogal kribbig op haar bezoeker. Pas toen ze een doos bonbons kreeg, ontdooide ze. David vroeg zich af welke relatie die twee hadden. Stijfjes stond hij op. Oma sliep onverstoorbaar verder.
Op de gang was niemand te zien. Maar wie kwam daar de hoek om met een zilveren ondersteek in haar hand? Zuster Lucille Nauta. De schok die hij kreeg bij het zien van haar verschijning was op een pijnlijke manier aangenaam. 'Oh vleesgeworden jongensdroom’, dacht hij, en meteen daarna richtte hij zijn aandacht op de ondersteek om niet al te opgewonden te raken. Hij slaagde erin om een zakelijke toon aan te slaan.
'Pardon zuster’, zei hij. 'Mijn grootmoeder zegt dat ze binnenkort naar huis mag. Is dat zo?’ 'Dat moet u aan de hoofdzuster vragen’, zei ze koel en marcheerde geruisloos langs hem. Een koude poolwind blies hem in het gelaat.
Zin om terug te gaan naar de ziekenkamer had David niet. Traag liep hij naar de lift, langs een deur die open stond. Onwillekeurig keek hij naar binnen. Daar zag hij het silhouet van Lucille Nauta. Met een raadselachtige blik keek ze omhoog naar een lange, knappe man in een witte jas. De dokter en de verpleegster stonden verdacht dicht bij elkaar. 'Jezus!’ dacht David. 'Help me Maria-moeder-van-God.’ En toch was hij overtuigd atheist.