De tien grootste problemen

7: De kloof tussen de elite en het volk

‘Meritocratie is enkel draaglijk voor burgers als ze zelf ook enige invloed hebben op de pijlers ervan’

Evelien Tonkens, bijzonder hoogleraar actief burgerschap, Universiteit van Amsterdam

Medium 7

MEINDERT Fennema, hoogleraar politieke wetenschappen in Amsterdam, zit nooit verlegen om een bon mot. Als titel voor zijn bijdrage koos hij: ‘De armen moeten steeds armer worden, dan kunnen de rijken steeds rijker worden’. Het is duidelijke taal; Fennema vindt de groeiende kloof tussen arm en rijk ons meest onderschatte probleem. Hij schrijft: 'Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de sociale cohesie en het draagvlak voor maatschappelijke solidariteit kleiner worden naarmate de maatschappelijke ongelijkheid groter wordt. Zo dreigt de kapitalistische wereld één grote Tea Party te worden.’
Kenners zullen niet verbaasd staan dat hoogleraar arbeidsverhoudingen Paul de Beer zijn collega Fennema hartgrondig bijvalt. De Beer bekritiseert al jaren onze fixatie op economische groei als oplossing voor allerlei problemen. Meer nadruk op kwaliteit - en wat minder op kwantiteit - maakt mensen veel gelukkiger, meent hij.

Dat speelt te meer bij de inkomensverdeling. De Beer noemt hetzelfde onderzoek als Fennema waaruit blijkt dat grote sociale ongelijkheid gepaard gaat met veel maatschappelijk ongewenste effecten op gezondheid, criminaliteit, schoolprestaties, het functioneren van de democratie en het onderlinge vertrouwen. De Beer: 'Dat geldt niet alleen voor de achterblijvers, maar ook voor de middengroepen: die zijn in een egalitair land beter af dan in een ongelijk land, zelfs als dat laatste land rijker is (zoals de VS).’ Vermindering van sociale ongelijkheid zou daarom weer een belangrijk doel van overheidsbeleid moeten worden, meent hij.

Medium milo7

Dat is een goed idee, niet enkel uit sociale overwegingen, maar ook uit economisch oogpunt, zegt Irene van Staveren, hoogleraar ontwikkelingseconomie in Rotterdam. Zij komt met een verrassende bijdrage, die laat zien dat meer gelijkheid helemaal niet noodzakelijkerwijs hoeft te leiden tot minder efficiency en daarmee minder welvaart, zoals de klassieke welvaartstheorie wil. De speltheorie heeft bewezen dat overwegingen van rechtvaardigheid juist positief uitwerken op de economie.
Van Staveren betoogt dat in geval van redelijke tot grote ongelijkheid herverdeling juist tot meer efficiëntie leidt. Ze schrijft: 'Dat is omdat verdeling van middelen (land, arbeid, hulpbronnen, kapitaal) mensen toegang verschaft tot productiemiddelen, zoals land of werk en ervaring (Melkertbanen die langdurig werklozen weer kansen gaven op de arbeidsmarkt en die daarmee productiviteit leverden).’ Het wordt tijd, zegt ze, dat de toenemende ongelijkheid in Nederland en de wereld niet alleen door een sociale bril wordt bekeken, maar ook door een kritische economische bril. 'En dan blijkt dat herverdeling wel eens een sleutel zou kunnen zijn tot een stabielere en dynamischer economie.’
Van Staveren slaat daarmee een optimistischer toon aan dan emeritus hoogleraar sociale en politieke wijsbegeerte Machiel Karskens uit Nijmegen. Hij spreekt ronduit van nieuwe klassenvorming als voornaamste maatschappelijk probleem. Het stoort hem dat deze 'sociale differentiatie’ amper als zodanig wordt herkend en zelfs door sociale wetenschappers wordt beschreven als een probleem van bestuur of cultuur. De klassenvorming is het resultaat van onze meritocratische samenleving, denkt Karskens. Hij schrijft: 'Ik vermoed dat de klassenvorming in de neoliberale samenleving en in de “democratische” rechtsstaten vooral plaatsvindt via het meritocratische - en niet het neokapitalistische - regime dat in het onderwijssysteem zijn belangrijkste handlanger heeft. Ik zou de sociologen en politieke wetenschappers graag willen uitdagen om deze hypothese te onderbouwen, of wanneer het hen lukt om ze te ontkrachten met een sterker alternatief te komen.’

Er is ten minste één wetenschapper die deze handschoen graag zou opnemen: de Rotterdamse hoogleraar empirische sociologie Pearl Dykstra. Ook zij vindt de toenemende ongelijkheid tussen sociale klassen een groot probleem, maar zij zoomt in op het man-vrouw-aspect. 'Sinds kort zijn er aanwijzingen dat de toenemende economische gelijkheid tussen mannen en vrouwen binnen partnerrelaties een toenemende ongelijkheid tussen sociale klassen en tussen generaties tot gevolg heeft.’ Seksegelijkheid is vooral voordelig voor de 'geprivilegieerden’, schrijft ze, want zij lopen veel minder kans op echtscheiding. Bovendien, 'degenen met de beste arbeidsmarktpositie bieden hun kinderen de beste levenskansen en kunnen de beste zorg en opvang regelen voor hun hulpbehoevende ouders.’ Met andere woorden: de tweede feministische golf heeft hoogopgeleide vrouwen veel meer baat gebracht dan laagopgeleiden. Sterker, het heeft de kloof vergroot.

De solidariteit is jammer genoeg op een zijspoor beland, meent Gijs van Oenen, filosoof aan de Erasmus Universiteit. In Nederland lijkt er een nieuwe tweedeling te ontstaan tussen stedelijke gebieden en het platteland. Ondertussen schrijdt de individualisering voort. 'Zelfs pensioenen zullen steeds minder een “collectief goed” zijn en steeds meer een individueel afgesloten en beheerde verzekering of belegging, met alle (geïndividualiseerde) risico’s van dien. Solidariteit wordt iets heel abstracts, zoals de mega-leningen aan faillerende banken en landen laten zien.’

Je kunt het een kloof noemen tussen hoog en laag, tussen elite en volk of tussen 'globals’ en 'locals’. Dat laatste doet de Groningse cultuurfilosoof René Boomkens. Hij schrijft: 'De “creatieve klasse” woont in grote of universiteitssteden als Amsterdam, Groningen, Nijmegen, Leiden of Utrecht, waar liberale en linkse partijen (D66, PVDA, VVD, GroenLinks en ook een beetje SP) domineren, de “verliezers” van de globalisering wonen in voormalige industriesteden als Heerlen, Helmond, Rotterdam of Venlo of in suburbane steden als Almere of Purmerend, waar de populistische PVV - en in mindere mate de SP - succesvol zijn.’

Er zitten verschillende aspecten aan deze verwijdering, meent hij; een dominante meritocratische ideologie waarin succes je eigen verantwoordelijkheid is, flexibilisering van de arbeid, afbouw van de verzorgingsstaat. Dit alles begeleid, aldus Boomkens, door 'de depolitiserende invloed van mondiale massamedia’. Hij zegt: 'Het gaat hier om een nieuwe problematiek - wat vergelijkingen met de jaren dertig en het fascisme uiterst twijfelachtig maakt. En om een zeer dringende problematiek, omdat ze de grenzen van de nationale politiek en cultuur overstijgt, terwijl nationale politici wel nog steeds verantwoordelijk worden gehouden.’

Het huidige onderwijs biedt hier vooralsnog geen oplossing voor, integendeel, zegt Herman van de Werfhorst, hoogleraar sociologie aan de UvA. De vroege selectie in het onderwijs is volgens hem veel te rigide en werkt in het nadeel van leerlingen die in het beroepsonderwijs terechtkomen. Hij zegt: 'Het is volstrekt onwenselijk dat leerlingen worden gescheiden in aparte schoolgebouwen, voor de duur van meerdere leerjaren, en voor alle vakken.’ Leerlingen van verschillende leerwegen moeten juist met elkaar in contact komen. 'Dit zal de betrokkenheid van jonge burgers bij de samenleving vergroten, omdat wederzijds begrip wordt gekweekt tussen groepen die sterk zijn gescheiden op basis van sociaal milieu en etniciteit.’

Je kunt het betreuren, maar we leven nu eenmaal in een meritocratisch klimaat, stelt de Amsterdamse hoogleraar burgerschapskunde Evelien Tonkens nuchter vast. 'We vinden het wenselijk en terecht dat mensen die veel in hun mars hebben en die flink hun best doen, het verst komen.’ Je kunt dat vertalen naar een diplomademocratie, maar dat vindt Tonkens te beperkt. We moeten ons afvragen wat verdienste eigenlijk is en hoe we dat waarderen. Je kunt je de vraag stellen of talent eigenlijk wel een verdienste is. Ze zegt: 'Je kunt talent ook een gelukje noemen. Zo beschouwd, bepaalt het lot mee of je tot de verdienstelijken gaat behoren. Daar is veel voor te zeggen in termen van rechtvaardigheid en in termen van doorleefde democratie. Meritocratie is enkel draaglijk voor burgers als ze zelf ook enige invloed hebben op de pijlers ervan.’ Laten we onze opvattingen over verdienste en talent dus openlijk bediscussiëren, oppert Tonkens.

De groeiende kloof tussen hoger en lager opgeleiden heeft het populisme gebaard, daarvan is politicologe Sarah de Lange overtuigd. 'Deze nieuwe tegenstelling doorkruist traditionele maatschappelijke en politieke tegenstellingen’, schrijft ze. Lageropgeleiden vertonen ander stemgedrag, zijn minder tolerant en hebben minder vertrouwen dan hoger opgeleiden. De PVV en andere populistische partijen vertegenwoordigen dit sentiment in politiek Den Haag - democratisch als het hoort - maar toch is de opkomst van het populisme niet zonder gevaren. 'Populisten ontkennen de veelheid aan belangen die burgers, jong en oud, lager- en hogeropgeleid, hebben, en negeren dat deze belangen op verschillende manieren behartigd kunnen worden’, aldus De Lange. Dit gevaar is groter naarmate gevestigde partijen dit discours overnemen, zodat 'een populistische Zeitgeist’ ontstaat.

Toch heeft de elite deze ontwikkeling vooral aan zichzelf te wijten, vindt Jean Tillie, bijzonder hoogleraar electorale politiek aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft: 'Dit betreft de politieke elite (populistische maatregelen die mooi klinken, maar waarvan we nu al weten dat ze niet zullen werken); de zakelijke elite (ongegeneerde zelfverrijking en grotendeels verantwoordelijk voor de economische crisis); de sport-elite, zowel bestuurders (corruptie bij de Fifa) als sporters (dopinggebruik, cocaïnegebruik, maar ook de nekbeet van Suarez); de journalistieke elite (trouwe volgers van de macht) en de rechterlijke elite (de schijn van vooringenomenheid). Daar komt nog bij dat door dit opkomende populisme de elite geen elite meer durft te zijn. Bang als ze zijn om hun positie te verliezen.’

Maar filosoof René Boomkens vindt dat maar flauwekul. De voortdurende roep om een elite die haar taak serieus dient te nemen is zwaar overschat. 'Grappig genoeg zitten er twee tegengestelde dynamieken in deze hang naar “ouderwetse” autoriteit. Aan de ene kant wordt geroepen om meer “beschaving”, Bildung, kortom om een “brede blik op de samenleving en cultuur”, anderzijds wordt juist gepleit voor “echt leiderschap”, “harde keuzes” en minder “soft gezeur”. Hier proberen twee alfamannetjes hijgerig en met behulp van viagra greep te houden op de ongrijpbare dynamiek van de mondiale populaire cultuur.’