7 vragen aan…Joost Oomen

Joost Oomen is een van de schrijvers die door ILFU (International Literature Festival Utrecht) werd uitgenodigd een nieuw verhaal over deze tijd te schrijven. In de aanloop naar het festival plaatsen wij komende week dagelijks op onze site korte vraaggesprekken met gasten van dit festival.

In watermeloen suiker is het allerliefste boek dat Joost Oomen kent en hij vindt dat iedereen voor zijn achttiende moet leren schrijven: ‘zo heeft iedereen toegang tot spelen’. Zijn debuutroman Het perenlied verschijnt in november.

Wat was het leukste moment tijdens het schrijven van je nieuwe boek Het perenlied?
Het allerleukste moment was toen ik het hoofdpersonage de Bietenkoningin bedacht. Ik had net gepind op het Haarlemmerplein, stopte het geld in mijn portemonnee en hoorde het stromende water van de fontein. Toen zag ik die paarse Bietenkoningin zomaar van een riviertje afdrijven. Daarmee is het begonnen. Daarvoor wilde ik nog iets heel anders schrijven, over een band waarvan de instrumenten telkens in fruit veranderden. Maar dat werd helemaal geen goed boek, dus toen bedacht ik dit. Ik was zo gelukkig dat ik dat personage bij me had, dat ik lachend en juichend naar huis ben gegaan.

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou je zelf geschreven willen hebben?
Ik zou heel graag In watermeloen suiker van Richard Brautigan geschreven willen hebben. Maar dat kan ik niet hoor, zo schrijven. Dat is het allerliefste boek dat ik ken. Het gaat over een hippiecommune waar alles is gemaakt van watermeloensuiker en de zon iedere dag een andere kleur heeft. Een schitterende vorm van hele lieve fantasie. Ik zou graag de geest van Brautigan hebben gehad. Aan de andere kant: hij heeft zichzelf door zijn kop geschoten, dus misschien wil ik ook wel helemaal niet zo’n hoofd hebben.

Wie van jouw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Simone Atangana Bekono. Ze is een hele goede dichter en ik denk dat dichters over honderd jaar meer gelezen worden dan romanschrijvers. En ze is heel vriendelijk, dat is ook belangrijk voor een auteur. Zo maak je snel vrienden in het literaire veld en die gaan je dan overal pitchen. Dan word je over honderd jaar nog steeds wel gelezen, denk ik.

Als je een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
Ik denk dat ik wel schrijver had willen zijn in de jaren zeventig. Maar waar? Dat vind ik een lastige vraag. Er was toen overal in de wereld zoveel aan de hand. Nee, ik zou wel schrijver willen zijn in de jaren vijftig in New York. Dan zou ik Charlie Parker gaan bekijken, daar kun je als dichter veel van leren. Hij fraseert heel goed. Al die licks die hij op zijn saxofoon speelt, zijn heel mooi en qua metrum ijzersterk. Als je dat als dichter kunt kopiëren, zit je helemaal goed.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een roodgeblokt laken, twee wijnglazen, een kaars. Obers in jacquet staan paraat.
a) Welk personage uit de wereldliteratuur zou je voor een diner uitnodigen?

Met Sissy Hankshaw, uit Even Cowgirls Get the Blues van Tom Robbins. Ze heeft een hele originele geest en hele originele duimen.

b) Waar zouden jullie het over hebben?
Over trompetkraanvogels en over bieten. Die zitten ook in het werk van Tom Robbins. Maar dat weet Sissy Hankshaw natuurlijk niet, shit… Waar kunnen we het nog meer over hebben? Nou gewoon over trompetkraanvogels, dat is een leuk onderwerp. Dan zouden we het hebben over de geluiden die ze maken en wat we daarvan kunnen leren in de literatuur. Zij weet niet zoveel over literatuur, maar dan kan zij het trompetkraanvogelgedeelte inbrengen en neem ik de literatuur voor mijn rekening.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Stijloefeningen van Queneau. Dan kun je leren schrijven en ontdekken hoe stijl werkt. Het is best wel een gedoe om creatief te zijn. Als je creatief wilt zijn als beeldhouwer moet je een blok marmer hebben en een schilder heeft allemaal olieverf nodig. Maar het enige wat een schrijver nodig heeft, is een potloodje en een stukje papier. En je moet weten hoe je dat moet doen. Als je dat eenmaal weet, weet je wat je allemaal kunt maken met taal. Dat is leuk. Zo heeft iedereen toegang tot spelen.

Wat is het interessantste dat je onlangs van een boek geleerd hebt?
Ik las Wonen in de ruimte van natuurkundige Gerard K. O’Neill. Hij dacht dat we al in 1990 in de ruimte zouden wonen. Dat is natuurlijk niet gelukt, maar hij had heel mooie tekeningen gemaakt van hoe die plekken eruit zouden zien: helemaal rond, met raderen die g-krachten genereren. Zo kun je tegen het plafond wonen, dat kan echt. Heel interessant. En ik was Leonora Carrington aan het lezen. Haar korte verhalen zijn heel leuk, want die houden op wanneer ze geen zin meer had om verder te schrijven. Je verhaal wordt daar niet per se slechter door, dat vond ik een interessante les. Er wordt altijd zo gepropageerd dat je moet doorzetten en er doorheen moet. Maar het is ook prima als je gewoon ophoudt wanneer je geen zin meer hebt. Dan heb je, in het geval van Leonora, een interessant verhaal met een interessant einde.


Ter gelegenheid van het ILFU verscheen de uitgave 50 Stories for Tomorrow.