71.675.416.899

Zondagochtends luister ik altijd eerst een uurtje naar klassieke muziek. Dan laat ik mij door mijn bediende naar de salon rijden, waar ik vijf minuten lang mijn familie pleeg toe te spreken. Zij zijn altijd allemaal aanwezig: de kinderen, de kleinkinderen, de achterkleinkinderen en niet te vergeten m'n zeven maanden oude achterachterkleinkind Martijntje. Hij is mijn absolute favoriet. Mijn vrouw is er helaas niet meer bij.

Tussen mijn familieleden bestaat een hechte band. Zij bestaat uit het getal 71.675.416.899 (het nummer van mijn Zwitserse bankrekening) gedeeld door 27.
Nee, ik ben cynisch noch verbitterd, ik ben inmiddels oud en wijs genoeg om te beseffen dat iemands dood andermans brood is. Niemand van mijn dierbaren zal zich ontzeggen wat ik mijzelf heb ontzegd. Nee, ik wil niet de indruk wekken dat ik een zwaar leven heb gehad. Integendeel, ik was verslaafd aan mijn ascetische levenswijze. Nu ik niet meer kan werken is het maar behelpen.
‘Voor niets gaat de zon op’, begon ik afgelopen zondag mijn traditionele toespraakje.
'Opa, je bent ons zonnetje in huis!’ riepen m'n achterkleinkinderen op commando, voorbeeldig gedresseerd door hun grijpgrage ouders.
'Dat is kinderarbeid!’ merkte ik ironisch op.
Daar werd mijn gehoor wat zenuwachtig van.
Ik ging verder: 'Het kan me niet schelen dat jullie van mij om mijn geld houden’, zei ik. 'Wij leven in het professionele tijdperk. Clubliefde, vaderlandsliefde, onbetaalde liefde, het bestaat allemaal niet meer. Daar is niets verkeerds aan. Liefde is het hoogste goed. Dus waarom zou die gratis verkrijgbaar moeten zijn? Donder allemaal op! Ik kan zonder jullie!
Vat wat ik net heb gezegd niet op als een verwijt. Ik hou nog steeds van jullie, sterker nog, behalve mijn geld zijn jullie het enige wat ik nog heb. De fout ligt bij mij: ik ben van de oude school en ik ben nu eenmaal gewend om offers te brengen. Vandaar dat ik vandaag besloten heb om het verder zonder jullie liefde en genegenheid te stellen. Dat is goed voor mijn gezondheid. Illusies maak ik mij niet. Mijn depressies slaan weer toe. Dus kan ik mij alleen nog maar in leven houden door mijn dierbare bezittingen aan een goed doel te schenken.’
In de salon kon je een speld horen vallen. Alleen Martijntje begon te huilen. Heerlijk, zo'n wurm, dacht ik, zo klein en toch zo snel van begrip.