8. de bankdrukker

‘Vorig jaar december drukte ik het wereldrecord in mijn gewichtsklasse met drie kilo naar 185 kilo. Waarom? Je moet een doel hebben in het leven. Hoe meer medailles, hoe beter. Pijn hoort daarbij. Pijn is lekker als je weet waarom je het voelt. Ik zou iedere dag wel een wedstrijd willen doen. Eerste worden.

Als ik niet druk, doe ik dingen om zin te krijgen in drukken. Goed eten. Ontspannen. Geen persoonlijke problemen hebben. Als er ook maar iets verkeerd is, til je geen wereldrecord. Mijn grote droom is om naar de 220 kilo te gaan. Dat is bijna vier keer mijn eigen gewicht van 59 kilo. Dan draag ik mijzelf vier keer in mijn eigen handen. Dat is kicken.
Mijn tegenstanders zijn bang voor mij. Zij vragen: Taqy, in welke gewichtsklasse til je? Boven de zestig of onder de zestig kilo? Zodat zij de andere klasse kunnen nemen.
Dat ik in zo'n lichte gewichtsklasse zit, komt doordat mijn benen niet zo zwaar zijn. Toen ik zestien was, kreeg ik in mijn geboorteland Iran een heel zwaar ongeluk. Knieen verbrijzeld. Ik moest weer helemaal leren lopen. Oefenen, oefenen, oefenen. Goed nadenken over wat je verder moet met je leven. Samen met de dokter heb ik uitgevogeld welke sport het beste bij mij past. Omdat je daar je benen haast niet bij hoeft te gebruiken, werd het bankdrukken.
Na een paar jaar oefenen was ik kampioen van Iran. Een jaar later, in 1990, werd ik in Nederland derde van de wereld. Toen heb ik politiek asiel aangevraagd. Vanwege het regime kan ik niet terug. Sindsdien ben ik voor Nederland vier keer wereldkampioen geworden.
Voor het ongeluk was ik een karateka. Een hele goeie karateka, ik zou het ver gaan schoppen. Bij karate gaat het niet alleen om fysieke kracht. Het draait vooral om de kracht van de mentaliteit. Via de tegenstander strijd je tegen de zwakheden in jezelf.
Bankdrukken is net karate. Het lijkt vechten met een dood stuk staal. Maar als ik die halter pak - dan gaat hij leven. Win ik van de halter, dan maakt hij mij blij. Verlies ik, dan raak ik geblesseerd. Ook in mijn hoofd.
Winnen is brutaal zijn. Niet bang zijn voor de halter. Daar moet je altijd aan werken. Soms train ik helemaal alleen. Dan staat er niemand achter mij die - als het fout gaat - het gewicht van mij af kan halen. Gaat het verkeerd, dan ben je dood. De halter wurgt je. Zo leer je om honderd procent zeker te weten dat je wint. Daar mag je niet aan twijfelen.
Ik moet ook wel winnen om mijn inkomen te behouden. Want als ik niet genoeg win, verlies ik mijn wedstrijdvergunning. Geen wedstrijden betekent geen publiciteit voor de sponsor. En geen sponsor betekent geen geld. Dan vlieg je er weer uit. Zou je daarom willen schrijven dat ik gesteund wordt door het Olympisch Steunpunt Amsterdam, het NOC/NSF en door sportschool Body Gym West?’