De tien grootste problemen

8: De gevolgen van een wereld zonder grenzen

‘Het is verleidelijk om ons te verschuilen achter de Nederlandse dijken, maar die strategie werkt al lang niet meer in een wereld die onweerlegbaar vertakt en vernetwerkt is geraakt’

Esther-Mirjam Sent, hoogleraar economische theorie en economisch beleid, Radboud Universiteit Nijmegen

Medium 8

ALS JE wetenschappers vraagt naar de belangrijkste problemen in Nederland moet je niet vreemd opkijken als veel antwoorden daadwerkelijk over Nederland gaan. Maar sommige kwesties zijn helemaal niet Nederlands van aard. Ze hebben een globale of in elk geval internationale achtergrond en ze doen zich eenvoudigweg ook in Nederland voor. Maar, zo schrijft de voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid André Knottnerus, ‘klein- en grootschaligheid zijn hier twee kanten van dezelfde medaille. Wij zien dit in de internationale verhoudingen, maar ook in tal van maatschappelijke domeinen, zoals de verhouding tussen werknemer en werkgever; consument en producent; internetprovider en -gebruiker; burger, openbaar bestuur en democratie in een gemediatiseerde wereld.’

Die internationale context wordt door uiteenlopende wetenschappers aangedragen. Waarbij sommigen wel blijk geven van ergernis over ons naar binnen gekeerde karakter, dat in de plaats lijkt gekomen van onze befaamde internationale gerichtheid. Han Entzinger, hoogleraar integratie- en migratiestudies aan de Erasmus Universiteit, schrijft bijvoorbeeld: 'Ik herinner me nog goed hoe verbijsterd ik was toen wijlen Pim Fortuyn voorstelde elke container die de Rotterdamse haven binnenkomt te scannen op verborgen illegalen. Dat leek me nogal inefficiënt; in verreweg de meeste containers zit namelijk geen enkele illegaal. Toch raakte hij hiermee bij velen een gevoelige snaar. Herinvoering van de grenscontroles of het plaatsen van een hek om Nederland leek opeens een stuk dichterbij gekomen.’

Medium milo8

Entzinger vindt dat niet enkel doodjammer maar ook riskant. Zijn we vergeten, vraagt hij, dat onze welvaart nu juist uit het buitenland komt? 'Eeuwenlang heeft Nederland zijn geografische ligging uitgebuit om zich te ontwikkelen tot een van de grootste handelsnaties van de wereld. In geen land ter wereld - enkele ministaten uitgezonderd - is de exportquote hoger dan hier.’ Zetten we dat zomaar op het spel? vraagt hoogleraar organisatiepsychologie Karen van Oudenhoven-van der Zee. 'Al in de Gouden Eeuw waren buitenlanders welkom in ons land en werd vrijheid van meningsuiting als groot goed gezien. Grote geesten als Descartes en Spinoza kwamen van elders naar ons land, omdat zij hier vrij konden denken. De ideeënrijkdom die dat bracht, heeft ons een vooraanstaande positie opgeleverd op economisch gebied, in de kunst, in de wetenschap.’

Een naar binnen gekeerde, op onszelf gerichte blik brengt niet enkel onze welvaart in gevaar - zoals wij verarmden in de pruikentijd na de Gouden Eeuw - maar tast ook onze veiligheid aan, betoogt econoom Esther-Mirjam Sent. Ze schrijft: 'Er komen grote uitdagingen op ons pad in de vorm van een klimaatcrisis, energiecrisis, grondstoffencrisis en voedselcrisis. De oplossingen worden vooral binnen onze landsgrenzen gezocht, terwijl de “verdichting” van de wereld juist heeft geleid tot een versterking van de wederzijdse afhankelijkheden en een toename van de complexiteit van het wereldsysteem. Als gevolg daarvan neemt de kwetsbaarheid van de Nederlandse samenleving en economie voor massale ontwrichting toe. Het is verleidelijk om ons te verschuilen achter de Nederlandse dijken, maar die strategie werkt al lang niet meer in een wereld die onweerlegbaar vertakt en vernetwerkt is geraakt.’ Hetzelfde punt maakt bestuurskundige Willem Trommel. Hij zegt: 'De kredietcrisis leert dat de economische verknoping van landen en industrieën zo enorm is geworden dat sociale beheersing alleen nog via transnationaal bestuur mogelijk is.’

Een vertakte en vernetwerkte wereld is mede het resultaat van de onnavolgbare opmars van de (informatie)technologie. Die trekt zich van landsgrenzen niets aan en verspreidt zich razendsnel. Diverse wetenschappers noemen in dit verband WikiLeaks. De kwestie biedt een verhelderende blik op de vele vragen die op ons afkomen.

Egbert Dommering, hoogleraar theorie van het informatierecht aan de UvA, schrijft: 'WikiLeaks is door internet een wereldwijd proces en daardoor juridisch nauwelijks te controleren. Het zal daarom als tegenreactie een al bestaande trend versnellen de nationale controle op de toegangspoorten tot het internet te verscherpen, een aanslag dus op zowel privacy als free flow of information. Het toont de urgentie aan dat we een duidelijk juridisch kader moeten ontwikkelen waarbinnen de vrije toegankelijkheid van internet een plaats kan krijgen. De ongebreidelde toegankelijkheid doorbreekt de afweging die politiek en bestuurlijk gemaakt moet worden tussen openbaar en geheimhouding. Het zal een tegenreactie van technische en bestuurlijke geheimhouding oproepen. Dat geeft aan dat we beter moeten nadenken over de openbaarheid in de netwerksamenleving. Het laat ten slotte zien dat informatie tegen nul kosten wereldwijd kan worden verspreid. Het legt de - onderschatte -bedreiging bloot waaraan rechten van intellectuele eigendom thans bloot staan.’

Niet alleen Dommering, ook Evelien Brouwer, hoogleraar staats- en bestuursrecht in Utrecht, vraagt aandacht voor de bestuurlijke verantwoordelijkheid bij de toepassing van nieuwe technologie. Zij noemt als voorbeeld de grootschalige opslag van DNA van verdachte en onverdachte personen in het Verenigd Koninkrijk. Welke risico’s brengt dat met zich mee? Ze schrijft: 'In een arrest stelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens terecht dat iedere staat die een pioniersrol claimt bij de ontwikkeling van nieuwe technieken, een speciale verantwoordelijkheid heeft voor het maken van de juiste balans.’

Maar dat is nog niet zo eenvoudig, zelfs niet als je die balans bewust opzoekt. Technologie heeft nu eenmaal een 'disruptief’ karakter, voert Corien Prins, hoogleraar recht en informatisering in Tilburg en lid van de WRR, aan. Niet alleen internet maar ook nanotechnologie, humane biotechnologie en neurotechnologie kunnen onze gezondheid en veiligheid dienen. 'Maar’, zo schrijft Prins, 'hier geldt, mede vanwege de onbekende risico’s op de langere termijn in combinatie met de “onzichtbaarheid” van het instrument: is de geest eenmaal uit de fles dan geven we de macht uit handen.’ Prins noemt als voorbeeld het Britse besluit om mens-dier-embryo’s toe te staan in de strijd tegen ziektes als Parkinson. Moeten we dat voorbeeld volgen? Kunnen we het überhaupt negeren? Prins: 'De langetermijnrisico’s zijn niet evident, vertrouwde en veilige aanknopingspunten gaan op de schop en het valt te betwijfelen in hoeverre en of er nog valt te sturen op de ontwikkelingen wanneer we ze eenmaal in gang hebben gezet.’

Al moeten nationale overheden hierover nadenken, het zijn beslist geen nationale kwesties. We zijn deel van de Europese Unie, die, als we eerlijk zijn, een steeds dikkere vinger in de pap krijgt. Laten we nu eens erkennen dat dit in ons voordeel is, betoogt de Tilburgse filosoof Jan Sprenger. 'Het belang van de Europese Unie voor het invloed nemen op globale vraagstukken en ontwikkelingen wordt namelijk nog steeds onderschat.’ Sprenger doet het symbolische voorstel om in elk land van de Europese Unie Engels als tweede officiële taal in te voeren. 'Misschien is dit voorstel voor de opgroeiende generaties, die hun ervaringen met Erasmus & Co. hebben (Europees studentenuitwisselingsprogramma - red.), minder vergezocht dan voor de meeste Nederlanders. Op dit moment zijn de vele talen die in Europa gesproken worden voor velen nog een drempel.’

Ook de Twentse bestuurssocioloog Bert de Vroom roept op tot meer Europese gezindheid. Hij schrijft: 'Globalisering, en met name het voortgaande proces van Europese integratie heeft de economie en de daarmee verbonden arbeidsmarkten geïnternationaliseerd. Sociaal beleid is echter vooral op nationaal niveau blijven steken. Waar zich enerzijds een Europees economisch en financieel beleid ontwikkelt, blijft een Europees sociaal beleid achter. Zonder ingrijpen dreigt echter een “sociale kwestie” op Europees niveau.’

Met alle respect voor de sociale problemen in Europa, ze vallen veelal in het niet bij de armoede en de ellende in delen van de Derde Wereld. Henk van Houtum, politiek-geograaf aan de Radboud Universiteit, roept het nog maar eens in herinnering. 'Tien procent van de mensen wereldwijd heeft nu 85 procent van de mondiale welvaart in handen. En terwijl de rijken steeds vaker sterven als gevolg van te veel en te vet eten, sterft een derde van de mensen wereldwijd nog altijd juist uit armoede.’ Van Houtum laakt vooral onze naar binnen gerichte blik en onze focus op het directe eigenbelang. Hij schrijft: 'De crisis heeft aangetoond dat de economie nu echt internationaal is geworden. Het omvallen van een bank in de VS heeft via een internationaal domino-effect gevolgen voor de burger in Nederland. Ook kwesties als water, milieu, migratie, criminaliteit en armoede zijn allang internationaal. Maar de politiek blijft vooralsnog halsstarrig gericht op nationaal eigenbelang. Is het niet veelzeggend over het denken in nationale containers dat nu er geopolitieke informatie over landen en hun regeringsleiders is vrijgekomen die transnationale belangen en verhoudingen raakt, er wordt gesproken van een lek? De wereld dreigt twee decennia na de euforie over globalisering en vrijheid na de val van de Muur weer een wereld van gestold onderling wantrouwen en protectionisme te worden. De bunkerpolitiek is terug. En diegene die daar het meest onder lijden zijn, hoe schrijnend, de allerarmsten op de wereld.’

De allerarmsten van de wereld, dat zijn ook de mensen waar Ingrid Robeyns, hoogleraar ethiek en sociale en politieke filosofie in Rotterdam, voor in de bres springt. Het belangrijkste probleem is en blijft volgens haar 'de onrechtvaardige ongelijkheid op wereldschaal’. Ze schrijft: 'Er sterven per dag meer dan twintigduizend kinderen aan oorzaken die eenvoudig vermeden hadden kunnen worden - zoals uitdroging door diarree - maar we blijven ons geweten sussen door te stellen dat dit geen kwestie van onrechtvaardigheid is. We willen het leed wel een beetje verzachten, maar doen dat uit liefdadigheid, niet omdat er iets structureel oneerlijks zou zijn aan hoe we op wereldschaal onze zaakjes hebben geregeld. Dat is helaas een illusie: we hebben een mondiaal economisch systeem opgezet dat in ons voordeel uitpakt, en onze economische praktijken zijn gericht op korte-termijn-eigenbelang, in plaats van op een meer rechtvaardige economische orde, of het welzijn van de allerarmsten.’

Robeyns is somber over mogelijkheden om dit te verbeteren. Over onze motieven in het rijke Westen schrijft ze zonder veel illusies: 'Het is zeer waarschijnlijk dat meer rechtvaardigheid op wereldschaal impliceert dat onze materiële levensstandaard naar beneden zal gaan - en dat verklaart veel.’