Reportage: Aids in Zambia

‘Morgen wij’

De komende jaren overlijden twee van de negen miljoen Zambianen aan aids. De regering besteedt meer aandacht aan winkelcentra, de kerk verbiedt de minirok. Intussen zijn doodskisten big business.

BEGRAAFPLAATS Leopards Hill, Lusaka — Een paar honderd man staan rond de kist van Ackim Simukonda, de bekendste musicus van Zambia. ‘You never get out of this life alive’, buldert de dominee. ‘Wij zijn ballingen hier, op weg naar onze eeuwige stad. Gelukkig was brother Ackim een vroom christen, daarom zingt hij nu met de engelen.’


Beeldhouwer Clement Mufuzi barst in lachen uit. ‘Wat een slijmbal, de hel zal hij bedoelen. Moet je eens kijken hoeveel vriendinnen er bij Ackims graf staan te huilen, he was a hard working man, he sure was! Maar toen hij lag weg te rotten in het ziekenhuis kwamen ze niet, de hypocrieten, zo bang zijn ze voor aids! En nu staan ze te dringen bij zijn kist om er een bloemetje op te kunnen leggen, gadverdamme!’


De dominee trekt nu alle registers open en galmt: ‘Life is a rollercoaster, we are going up and down!’ Als Amba 04, de populairste damesband van Zambia By the Rivers of Babylon begint te zingen, a capella en ontroerend mooi, klinkt overal gesnik. Zelfs de baldadige zonen van Ackim, die zich ondanks het vroege tijdstip een stuk in de kraag hebben gezopen, zwijgen. De vorige avond speelde Amba 04 de sterren van de hemel op het terras van het Fairview Hotel in Lusaka. Het concert was opgedragen aan Ackim. Er werd gecollecteerd voor de nabestaanden van de zanger, op de grote doos stond met een stift geschreven: ‘Vandaag hij, morgen wij.’ Ondanks deze stichtelijke aanmaning voerde de moddervette zangeres Maggie op het podium paringsdansen uit met willekeurige mannen uit het publiek en zong: ‘I’m knocking on your door to get what I want.’ (Wij wisten toen nog niet dat Maggie seropositief was en een paar maanden later eveneens aan de gevolgen van aids zou overlijden.)


Amba 04 zingt een half uur lang de ene gospel na de andere. Als de dames Swing Low, Sweet Chariot inzetten, wordt het zelfs de nuchtere en cynische Clement te veel. Clement (34) weet sinds 1991 dat hij seropositief is. Sindsdien geldt hij als de belangrijkste aidsactivist van Zambia. Hij veegt zijn ogen droog en zegt: ‘Daarom ben ik zo kwaad op die dominee, hij weet donders goed dat Ackim aan de gevolgen van aids is overleden maar hij durft het gewoon niet te zeggen. Zambianen gaan dood aan malaria of tbc, nooit aan aids. Juist publieke figuren als Ackim zouden aids daarom uit de taboesfeer moeten halen, maar ik ben een roepende in de woestijn.’


Hij wijst naar een gezette man in een driedelig pak: ‘Kijk, dat is onze minister van Cultuur, die gaat zo ongetwijfeld een fraaie toespraak houden, hij luistert graag naar zichzelf. Maar ook uit zijn mond zul je het woord aids niet horen, het is verdomme een schandaal.’ De minister houdt inderdaad een lange toespraak die vooral over zijn eigen prestaties gaat en hij beroept zich en passant op een decennialange vriendschap met Ackim. Clement dreigt in een vlaag van woede op de man af te lopen, maar vrienden weten hem nog net tegen te houden. Er volgen meer fraaie toespraken en uiteindelijk werpt iedereen een handje zand in het versgedolven graf. De dronken zonen van Ackim — alcohol en begrafenissen gaan goed samen in Zambia — vechten om de twee schoppen waarmee het graf gedicht moet worden, een vrouw werpt zich woest huilend en krijsend in het zand en de begrafenis dreigt bijna te ontaarden.


Een paar honderd meter verderop op de immense begraafplaats vindt nog een begrafenis plaats, met een handjevol rouwenden, achter ons schuifelt de volgende begrafenisstoet. Lusaka telt slechts twee begraafplaatsen, dagelijks vinden er bijna honderd teraardebestellingen plaats. Aids is big business in Zambia. Wie snel rijk wil worden, begint een handel in doodskisten. De witte, gelakte kist van Ackim, met vergulde handvatten, kostte vijfhonderd dollar, een vermogen in Zambia. Om diefstal te voorkomen, zal er straks een laag beton in het graf worden gestort. Clement: ‘Vroeger was er nog respect voor doden, nu trotseert men zelfs de boze geesten.’ Terwijl we het pad naar de uitgang af wandelen, scheurt de witte lijkwagen van Chosen Heritage Funeral Home (‘Your Real Friend in Grief’) alweer naar de volgende klant. Clement heeft straks nog een begrafenis. ‘Zo kom ik tenminste nog eens bekenden tegen’, lacht hij zuur. ‘Maar voor iemand met een normale baan is het amper nog op te brengen. Een gemiddelde van vijf begrafenissen per week is hier heel normaal geworden. De werkgevers worden er helemaal gek van.’



ZAMBIA WORDT geteisterd door aids. De prognoses zijn duizelingwekkend: in de komende tien jaar zal twintig procent van de negen miljoen Zambianen overlijden aan de gevolgen van aids en dat is nog een behoudende voorspelling. Hier en daar wordt zelfs gefluisterd dat een op de drie Zambianen seropositief is; de cijfers zijn nauwelijks nog te bevatten voor het menselijk verstand.


Een heel volk dreigt van de landkaart te worden gewist en de regering van Zambia — een van de armste en corruptste landen ter wereld — kijkt apathisch en machteloos toe. Een paar roestende billboards in hoofdstad Lusaka waarschuwen tegen onveilige seks en als je van de luchthaven naar de hoofdstad rijdt, over een opvallend verzorgde weg vol bougainville en weelderige bloemenperken, herinnert een enorm bord trots aan de internationale aidsconferentie die in 1999 in Lusaka plaatsvond. Alleen, president Frederick Chiluba schitterde door afwezigheid op de conferentie, maar hij opende kort daarna wel met veel aplomb de megalomane shopping mall Manda Hill in de hoofdstad. Volgens begripvolle ingewijden meed hij de conferentie uit protest tegen de internationale verwaarlozing van de allesvernietigende aids-epidemie in Zambia en Afrika, boze tongen fluisterden echter dat hij gelijk een struisvogel zijn kop in het zand stak.


Pijnlijk was het voorval wel, want Manda Hill is de spreekwoordelijke vlag op de strontschuit: een zelfs voor westerse begrippen peperdure shopping mall met computerwinkels, cd-winkels en een gigantisch filiaal van de Zuid-Afrikaanse supermarktketen Shoprite. Voor de gemiddelde Zambiaan is dit ‘white man’s paradise’, bewaakt door een op een militie gelijkend leger veiligheidsbeambten, een onbereikbare droom waar hij in het beste geval een keer doorheen mag lopen, om zich te vergapen aan artikelen en objecten waarvan hij van het bestaan niet afwist.


Wellicht is het al te makkelijk om de machteloze regering verwijten te maken, maar wat te denken van de uitlatingen en handelingen van Dawson Lupunga, de minister van Sociale Zaken en Gemeenschapsontwikkeling? In oktober 1999 werd hij de risee van de Zambiaanse politiek door tijdens een toespraak voor tweehonderd blinde en gehandicapte Zambianen een revolutionair plan te lanceren: alle prostituees, straatkinderen en bedelaars die zich vanaf dat moment nog in de straten van Lusaka bevonden, zouden onmiddellijk worden gearresteerd. Deze drie ‘categorieën’ wekten bij buitenlandse gasten, aldus Dawson Lupunga, de indruk dat Zambia een straatarm land was.


Ook blinde bedelaars, een vertrouwd beeld in Lusaka, zouden worden gearresteerd, vertelde hij aan zijn blinde gehoor. Lupunga had veel arme landen bezocht in zijn functie als minister, maar nog nooit had hij zo schrikbarend veel bedelaars gezien als in Zambia. Hij richtte zich persoonlijk tot de straatkinderen (in Zambia zijn, vooral ten gevolge van de aidsepidemie, meer dan zevenhonderdduizend weeskinderen, een groot deel daarvan verblijft noodgedwongen op straat). ‘Straatkinderen’, aldus Lupunga, ‘jullie slapen ’s nachts op straat terwijl jullie ergens ouders hebben. Ik waarschuw jullie dat jullie hierdoor in de problemen komen omdat ik vanaf vandaag de politie instructies heb gegeven om jullie allemaal te arresteren.’


Deze barse waarschuwing gold ook voor prostituees en blinden. Lupunga voegde eraan toe dat iedere Zambiaan die het nog waagde om een aalmoes of voedsel te geven aan deze verschoppelingen, vanaf dat moment een bekeuring zou krijgen. Een paar dagen eerder had hij zijn Zambiaanse onderdanen al verbijsterd met de oekaze dat Zambiaanse vrouwen alleen nog maar lelijke dochters mochten baren omdat mooie dochters voor nog meer aids zouden zorgen. Bovendien raadde Lupunga, in het kader van zijn persoonlijke kruistocht tegen aids, mooie vrouwen aan in het vervolg gesluierd over straat te gaan, zodat de Zambiaanse mannen niet langer zouden worden opgehitst.



IS HET EEN GRAP of om te huilen? Het feit dat een van de belangrijkste ministers van Zambia op een dergelijke manier met aids en aan aids gerelateerde kwesties omgaat, doet het ergste vrezen. Clement: ‘Je kunt veel zeggen over Lupunga, maar hij erkende in ieder geval het bestaan van aids. De meeste politici doen gewoon of hun neus bloedt. Ik word doodziek van die struisvogelpolitiek van de regering. De vorige president, Kenneth Kaunda, vertelde eind jaren tachtig voor de televisiecamera’s dat zijn zoon was overleden aan aids. Dat getuigde van enorme durf en daarmee brak hij een lans voor iedere Zambiaan met hiv en aids. Sindsdien heeft geen enkele politicus nog openlijk het bestaan van aids durven toegeven. En als ze het doen, krijg je stuitende onzin als die van minister Lupunga. Alleen van minister Nkandu Luo van Volksgezondheid heb ik een hoge pet op. Professor Luo is een briljant arts, maar wat kan zij uitrichten met een gezondheidsbudget van tweeëneenhalve dollar per Zambiaan per jaar?’ Lachend: ‘Vorig jaar werd ik uitgenodigd door het parlement om een toespraak over aids te houden. Ik kwam het parlementsgebouw echter niet binnen omdat ik geen pak en geen stropdas droeg. Regels zijn regels, zeiden ze. Maar ik heb nou eenmaal geen geld voor een pak.’


‘God werkt in Zambia’, zei Felton Edwin May, een Amerikaanse bisschop die Zambia in 1999 bezocht. Blijmoedig verkondigde hij dat de strijd van de Zambiaanse kerk tegen aids de geest van Jezus Christus weerspiegelt. God werkt in Zambia, jubelde hij.


Voor de katholieke kerk — Zambia afficheert zich graag als de meest christelijke natie van Afrika — is de oorzaak van de aidsepidemie die het land aan de rand van de afgrond heeft gebracht glashelder: de moraal van de Zambianen is verrot en aids is daarom een goddelijke straf. Zo boud zal de kerkleiding het niet stellen, maar te pas en te onpas is er wel een hoge geestelijke die via de media deze opwekkende boodschap verkondigt. De enige remedie tegen deze bijbelse plaag is een ingrijpende verandering van het gedrag van de Zambianen. President Frederick Chiluba, belijdend christen, ziet het zogeheten Behavourial Change Process als de oplossing voor het aidsprobleem: een ingrijpende verandering van de levensstijl van de Zambiaan. De kerken voegen daar graag aan toe dat dit proces beter werkt dan een condoom. Hoewel de kerk het gebruik van condooms officieel verbiedt, gingen er vorig jaar meer dan twintig miljoen over de toonbank (in 1990 waren dat er nog maar één miljoen). Vaak worden ze gratis verstrekt, hetgeen in twee dorpen in het noorden bijna leidde tot een fietsenmakersoorlog. Handige ondernemers knipten er plakkertjes van voor fietsbanden, met als gevolg dat bijna niemand zich nog tot de erkende fietsenmaker wendde. En de Zambiaan wil nog wel eens klagen over de lengte van het gratis condoom, vooral als dat uit Japan komt.


De kerk ziet de groeiende populariteit van het condoom met lede ogen aan en waarschuwt dat Zambia dreigt te verworden tot de hoer van Babylon. Naast het condoom moet ook de minirok — een andere vermeende oorzaak van aids — het ontgelden.



GELUKKIG BLIJKEN de paters en priesters uiteindelijk ook mensen van vlees en bloed. Zo werd in Livingstone een als fanatieke fatsoensridder te boek staande priester achter de kerk met een non betrapt. Toen de politie hem wilde arresteren, was zijn verweer dat hij een duivel aan het uitdrijven was, al kon hij niet verklaren waarom dat met de broek naar beneden moest gebeuren. Vrijwel wekelijks maken de Zambiaanse kranten wel gewag van een seksschandaal waarbij een geestelijke is betrokken. Toch blijft het woord van de clerus onaantastbaar en geloven veel Zambianen daarom dat aids een goddelijke straf is. Wellicht verklaart dat hun bijna lethargische houding ten aanzien van de ziekte. ‘God werkt in Zambia’, jubelde de Amerikaanse bisschop, dus waarom zou de Zambiaan dat dan doen? Van een stervende natie zou je een massale mobilisatie mogen verwachten, maar vanuit de bevolking worden er bedroevend weinig initiatieven ondernomen.


‘Toen ik in 1991 hoorde dat ik seropositief was, was er in Zambia hoegenaamd niets bekend over aids’, vertelt Clement. ‘We noemden het de “slim disease”, de vermageringsziekte, en een broodmager iemand werd gekscherend een “draadje” genoemd. Ik had wel eens wat gelezen over aids maar het was letterlijk ver van mijn bed. Aids was voor homoseksuelen, drugsverslaafden en prostituees. Ik had een behoorlijk druk seksleven, maar nog nooit had ik de link gelegd tussen aids en seks, aids was immers voor slechte mensen. Condooms gebruikte ik alleen in hit and run-situaties, bij eenmalige contacten. Maar als ik die persoon de tweede keer tegenkwam, gebruikte ik geen condooms meer.’


Min of meer toevallig en zonder enige argwaan besloot Clement in 1991 een aidstest te doen. Een nicht die weduwe was geworden nadat haar man aan aids was overleden, trok bij Clement in (inmiddels wonen er in zijn kleine, armetierige huisje 22 mensen, vooral neefjes en nichtjes wier ouders aan aids zijn overleden). Toen de nicht lichamelijke klachten kreeg die wezen op het begin van aids, besloot Clement uit interesse een aidstest te doen. Clement: ‘Mijn wereld stortte ineen toen ik de uitslag, of beter gezegd “het doodvonnis” hoorde. Het was een nachtmerrie, ik wilde het liefst dood. Aids was een race zonder spelregels die zou eindigen op het kerkhof. Ik schaamde me en haatte mezelf, haatte alle vrouwen. Maar bovenal was ik woedend, woedend over het feit dat niet alleen ik maar ook een heel continent aan het wegrotten is, zonder dat ook maar iemand ingrijpt. Die woede heeft me tot nu toe op de been gehouden. Na een langdurige depressie bleek ik nog steeds te leven en besloot ik vorm te geven aan die woede. In de tijd die me nog resteerde, wilde ik aantonen dat je als individu wel degelijk iets kunt doen, dat je niet alleen maar stompzinnig en machteloos je dood hoeft af te wachten.’


Met een paar lotgenoten richtte Clement Pols op, The Positive Living Squad. Ze gingen de markt op om Zambianen over aids en hiv voor te lichten. Pols gaf aids een menselijk gezicht. Clement: ‘De mensen geloofden ons aanvankelijk niet, ze dachten dat we een stelletje oplichters waren. We zagen er te gezond uit, ze speurden onze lichamen af naar huidkanker, zo diep was het wantrouwen. Je wordt kennelijk pas geloofd als je twintig kilo weegt en onder de zweren zit.


Mijn publieke coming out deed ik op de televisie. Ik was de eerste Zambiaan die openlijk voor de camera zei aids te hebben, en dat heb ik geweten ook. Nooit zal ik vergeten hoe ik met de hele familie voor de televisie zat toen de documentaire werd uitgezonden. Niemand sprak een woord tijdens de uitzending. Na afloop hing er een dodelijke stilte. Tot mijn moeder in snikken uitbarstte en vervolgens woedend riep dat ik een schande was voor de familie. Dagenlang wisselde niemand ook maar een woord met me, tot een oom me apart nam en zei dat hij het geweldig vond wat ik had gedaan.’



Bij uitgeverij Mets verschijnt deze zomer een boek van Arthur van Amerongen en Geert van Kesteren over aids in Zambia, in opdracht van het Aidsfonds.