Wie schrijft die blijft: Harry Mesterom

‘Poëzie is mijn ademtocht’

Ze kenden allemaal hun vijftien minuten beroemdheid. Inmiddels zijn ze vergeten. Toch zouden ze ooit de wereld met hun poëzie verbeteren. Het zijn de kluizenaars, de ware ploegers van de literatuur, die in het verborgene eindeloos slepen en schuurden aan hun meesterwerk. De komende maanden laat De Groene deze gevallen engelen aan het woord, de vergeten dichters uit de laatste decennia van de twintigste eeuw.

Beroemd is hij er niet mee geworden. Na zijn debuut ‘Een gat in de lucht’ is dichter Harry Mesterom in de vergetelheid geraakt. Maar nog steeds roept vierentwintig uur per dag het ambacht. ‘Zonder dichten zou ik niet kunnen leven.’

HET LIJKT OF hij dagenlang voor de fotograaf op de vlucht is geweest maar uiteindelijk toch is gesnapt. De jongeman, met snor en gestoken in een vrolijk matrozentruitje, heeft het hoofd zijdelings afgewend en staart naar de grond alsof hij er ter plekke in verdwijnen wil. Alsof hij er überhaupt nooit uit te voorschijn had willen komen.


Als iets zich leent voor achteraf geïnterpreteer, dan is het wel de foto op de flap van Een gat in de lucht, het debuut en tevens de enige bundel van de lang vergeten maar nog immer in goede gezondheid verkerende dichter Harry Mesterom (60). In 1966 kwam de bundel uit, Mesterom was toen zesentwintig.


Een souterrain aan de Amsterdamse Stadhouderskade. ‘Nooit, maar dan ook nooit heb ik met mijn werk geleurd.’ Tegels op de vloer, van vocht doortrokken muren. ‘Ik heb totaal geen behoefte het wereldkundig te maken, nooit gehad ook. De boom groeit door, of er iemand naar omkijkt of niet.’ In blauwgrijze ribbroek en verschoten colbert drentelt de dichter in het rond. Boven zijn secretaire bungelt een opgezette vleermuis aan een draadje, met wijdopen gesperde muil lijkt hij recht op je af te fladderen. Aan de muur tussen talloze ‘eigen schilderwerken’ een honingraat achter glas met gestikte bijen. Een microscoop op de vensterbank, omgeven door karkassen van veldgedierte en reptielen. Op een plank aan de muur een uitgekookte paardenschedel. ‘Een vergeten dichter?’ repliceert hij. ‘Zonder dat debuut was ik niet eens bekend geweest. Het is alleen daarom dat de buitenwereld mij misschien vergeten is. Voor mij is de stroom gewoon doorgegaan. Opgelost of verdampt ben ik niet. In het verborgene heb ik doorgewerkt.’


Na een kortstondige studie aan de Maastrichtse Stadsacademie vertrok Mesterom naar Leiden om daar aan de universiteit kunstgeschiedenis te studeren. Tot een afronding kwam het niet, peilloos diep als hij reeds was gezonken in zijn dichterschap. Het begon al op de middelbare school, waar hij als fremdkörper te boek stond. Op z’n elfde arriveerde hij pas in Nederland. Zijn kindertijd bracht hij door in Indonesië, in een jappenkamp. ‘Ik denk’, zegt Mesterom, ‘dat daar de kiem van het dichterschap is gelegd.’ Zijn jeugd lang had hij het gevoel niet thuis te zijn. In hun schrijfsels toonden Slauerhoff, Achterberg en Nijhoff hem het instrumentarium waarmee dat gevoel te concretiseren viel. ‘Het woordenwonder dat hooguit in de winter in wolkjes zichtbaar is. Dat je daar op papier iets nieuws van kunt maken. Die extra dimensie was voor mij meer dan onthutsend. Ik ben er nooit overheen gekomen.’


Ook in Leiden ervoer hij dichten nog als iets gênants waar hij uit zichzelf nooit mee naar buiten zou zijn gekomen. Vrienden die hem al schrijvende aan een vers betrapten, bleken uitgerekend bevriend met dé J.B. Charles. Deze speelde wat gedichten door aan Bert Bakker en prompt stond het in Maatstaf. Nadat het procédé zich enkele malen had herhaald, stuurde De Arbeiderspers in maart 1966 een contract voor een bundel, in het najaar te verschijnen in de zogeheten Giraffereeks waarin ook de eerstelingen van Gerrit Komrij, Dick Hillenius, Willem Wilmink en Ad Zuiderent het levenslicht zouden zien.



MESTEROM HAD ZIJN studie inmiddels gestaakt en was in Antwerpen gaan wonen toen op 20 september 1966 tien exemplaren van zijn bundel Een gat in de lucht werden bezorgd.


Een bundel, Mesterom nam het voor kennisgeving aan. ‘Wat na publicatie met je werk gebeurt, onttrekt zich volledig aan je. Er valt toch geen voorstelling van te maken. Natuurlijk is het mooi als iemand zich erover buigt en er iets mee kan. Maar dat is bij mij absoluut de drijfveer niet. Veeleer is het een ziekte waaraan ik lijd. Ik zal altijd blijven werken, zelfs als geen hond het leest.’ Het was simpelweg een lot dat Mesterom aanvaardde. Met de op dat moment hoogtijvierende vernieuwingsbewegingen rond de tijdschriften Barbarber, Gard Sivik en De Nieuwe Stijl had het solitaire werk van Mesterom dan ook niets uit te staan. Zijn gedichten beschrijven het betoverende moment waarop de inspiratie zich voordoet in de werkelijkheid, zoals in ‘Forel door visarend gevangen’: ‘in de pijnlijke stilte die langs hem heen-/ suist terwijl hij verhuist naar de andere kant/ van de vloeibare spiegel.’ Of doen verslag van de dichterlijke uitputtingsslag zelve, zoals in ‘Jaren schrijvend’: ‘Jaren schrijvend dag in/ dag uit en


’s nachts niet te vergeten/ met sterren op mijn schouders/ als een generaal.’ Af en toe ook, bijvoorbeeld in ‘Het raadsel van de Garuda’ borrelen Indische flarden op.


Getrouw deed de uitgeverij Mesterom alle besprekingen van Een gat in de lucht toekomen. ‘Het werk van Harry Mesterom vertoont alle kenmerken van ongerichte dichterlijke gevoeligheid: vage melancholie, een neiging tot zelfbeklag en zelfvergroting’, aldus Aad Nuis in Het Parool. ‘Een gat in de lucht is een wat smal debuut met verzen die bij gebrek aan eigenheid gauw vergeten dreigen te worden’, schrijft Kees Fens in De Tijd. ‘De gedichtjes van Mesterom hebben die vriendelijke overbodigheid waar zoveel debutanten hun versjes in laten baden’, aldus Het Vaderland. De auteur van het Nijmeegs Universiteits Blad grijpt de gelegenheid aan een oude rekening te vereffenen: ‘Over Harry Mesterom kan ik u vertellen dat hij eens bij mij in de klas gezeten heeft en ontzettend slecht was in rolbal, een spel dat toentertijd bij ons favoriet geweest is. Helaas kon ik in het feit dat hij vroeger zo krukkig rolbalde geen reden zien hem zijn ontzettend slechte gedichten van thans te vergeven.’ Eén troost, De Wereldkroniek was enthousiast: ‘Harry Mesterom is ongetwijfeld een naam die in de toekomst sterk op de voorgrond zal komen.’


Het waren flinke tikken voor de dichter die bij toeval aan de oppervlakte geraakte. De recensies misten hun effect niet op de verkoop. Verkocht Mesterom in de periode september-december 1966 nog 264 exemplaren (wat hem minus voorschot twee gulden zesennegentig opleverde), over heel 1967 ging Een gat in de lucht slechts dertien maal over de toonbanken. Werden er over 1968 nog vierentachtig exemplaren verkocht, in 1969 bleef het verkoopaantal steken op zes. Op 12 december 1972 krijgt Mesterom, die inmiddels vanwege de kunstenaarstoelage naar Amsterdam is verkast, een allerlaatste brief van de uitgever: ‘Tot onze spijt zien wij ons vanwege de teleurstellende verkoopresultaten genoodzaakt uw boek uit de reguliere verkoop te nemen, en tot prijsopheffing over te gaan. Menend dat u dit op prijs zult stellen, sturen wij u hierbij een tiental exemplaren toe.’



MESTEROM DRUKT DE pet stevig op zijn kruin als we bij de Sarphatikade de hoek omslaan. Het lange stuk langs de Amstel is het hoogtepunt van de dagelijkse ochtendwandeling. ‘Die glans die af en toe op de golfjes staat, het is goddomme toch fabelachtig.’ Vanochtend om half negen ging zijn wekker. Na het ontbijt heeft hij een schetsje gemaakt voor een schildering. De wandeling loopt hij al bijna dertig jaar. Om onderweg op te sabbelen neemt hij in zijn hoofd een aanstekelijke strofe mee. ‘Het niets is stoutmoediger dan het al’, van Edmond Jabès is de versregel van deze morgen. ‘Het gaat om de smaak van zo’n zin’, zegt Mesterom. ‘Niet om de waarheid. De waarheid kennen we toch niet.’


Laatst liep iemand voor hem die plotseling zijn kraag opsloeg. Letters sprongen te voorschijn. Zijn ogen stonden vol tranen. ‘Soms word ik bij mijn lurven gepakt, ik weet niet door wat.’ Een reguliere baan, het is ondenkbaar voor hem. ‘Je komt terecht in andere machtsvelden, ver, ver weg van het oorspronkelijke werk.’ Vierentwintig uur per dag roept het ambacht. ‘Soms komt het als een pakketje uit de hemel, maar meestal is het zwoegen.’


Dat een tweede bundel er nooit is gekomen, heeft volgens Mesterom niets te maken met de negatieve ontvangst. ‘Het had in mijn situatie geen verandering gebracht als Kees Fens en Aad Nuis hadden geschreven dat ze het geweldig vonden. Wat is eigenlijk de functie van de kritiek? Had ik moeten stoppen? Is dat wat ze wilden? En wat als dat nou niet gaat?’ Want bij hem gaat stoppen echt niet. ‘Poëzie is mijn ademtocht. Zonder dat zou ik niet kunnen leven.’ De tweede bundel is er nooit gekomen, simpelweg omdat Mesterom niet tot afronden in staat is. ‘Ik kan alleen maar doorschrijven, van teruglezen en herzien krijg ik het benauwd. De voortgang zou belemmerd worden, daar ben ik als de dood voor.’ Hij is bang dat wanneer hij over zijn schouders kijkt, de muze hem voorgoed in de steek laat. ‘Ik moet altijd klaar staan, mijn huis als een altaar gereed houden.’


In het huis aan de Stadhouderskade hoopt zijn oeuvre zich op. ‘Een onoverzienbare zee is het geworden. Ik weet niet waar ik terechtgekomen ben, hoe langer ik wacht hoe onoverzichtelijker het wordt.’ Kilo’s poëzie liggen, handgeschreven, opgeslagen in honderden mappen en notitieblokken. Een vriendin bracht hem in contact met de dichter George Moormann. Deze kon Mesterom ertoe aanzetten zo nu en dan in godsnaam eens wat uit te typen. Zowaar ging Mesterom ertoe over, hetgeen verspreid over de jaren tachtig en negentig leidde tot publicaties in Tirade, De Gids en De Zingende Zaag.


Hij hoopt dat ooit een deskundige een inventarisatie komt maken. Maar is ‘een stukje nazorg’ sowieso niet de verplichting van De Arbeiderspers, die per slot van rekening toch zijn uitgever is? ‘Niemand daar die mij nog kent. Bovendien ben ik totaal niet interessant voor ze. Tegenwoordig moet je jezelf kunnen verkopen, op z’n minst marktgericht denken.’ En daar heeft Mesterom geen kaas van gegeten. Indertijd al niet. In september 1967 sloeg hij een uitnodiging af voor een voordracht op de Dichters Rimram in de Redoute te Maastricht. Een optreden in het radioprogramma Sound & Poetry wees Mesterom eveneens van de hand. Ook het verzoek tot toetreding tot de redactie van het niet veel later over de kop slaande literaire tijdschrift Kontoer, legde hij naast zich neer.


Mesterom wenst het ambt puur te houden. Hij is er hartgrondig van overtuigd dat alles wat geen direct verband houdt met het scheppingsproces alleen maar van dat scheppingsproces afleidt. De enige literaire nevenactiviteit die hij zich ooit permitteerde was een correspondentie met Eddy van Vliet, die hij in Antwerpen als een goede vriend leerde kennen. ‘Echt spijtig dat je hier vrijdag 15 maart niet waart, het was een prachtavond, vooral nadien in het nachtelijk Antwerpen’, schreef Van Vliet hem in maart 1968. Af en toe ontmoetten de twee elkaar in Amsterdam. ‘Ik verwacht je bij Reijnders rond dat uur. Bestel alvast een jonge’, is steevast de slotzin.



OP DE ALBERT CUYPMARKT bestelt hij kroketten. Aan de keukentafel smeert hij ze uit op brood, bestrijkt ze met mosterd en drinkt er biologische appelsap bij. Eigenlijk is hij best tevreden zo. ‘Niet in luxe baden maar wel krassend met het pennetje verder kunnen.’ Het kluizenaarschap bevalt hem te meer daar Jean-Henri Fabre (1825-1915), zijn grootste held, zo mogelijk een nog grotere Einzelgänger was. De Franse entomoloog was zo fanatiek dat hij dagenlang en desnoods op zijn knieën of door zompige velden achter een sluipwesp aan kon zitten. ‘Zo bezeten met iets bezig zijn, dat is toch prachtig.’ Mesterom toont het fotoboek dat hij kocht in het Fabre-museum in de Franse Provence, een oud mannetje tussen weckflessen met krioelende inhoud, driftig voortkrabbelend.


Hij zwaait de tuindeuren open. Buxusheggen, rododendrons, zilverberken, lijsterbessen, klimop, een jasmijnstruik, hulst en vlierbomen; alles zelf geplant en gemodelleerd. Een kronkelend grindpad houdt halt bij een minuscule observatiehut. In afwachting van de genade der muzen neemt Mesterom op de kruk achter de verticale ruit plaats.


Het zicht op de minijungle is adembenemend. ‘Mijn tuin is meegegroeid met mijn oeuvre. Vanuit de hut observeer ik mijn oeuvre. Tegelijk staar ik ook naar mijzelf. Het is alsof ik door mijn eigen botten naar buiten kijk.’ Als dat te lang duurt komt Mesterom zijn hut uit. ‘Dan ga ik iets herstellen in de tuin, rotte bladeren oprapen of snoeien.’


Maar ondanks zijn bezoeker heeft hij geluk vandaag. Achter een spreuk van Wang Wei komt (‘ha gezelschap’) een spinnetje te voorschijn. Hij raakt in verrukking en trekt een notitieblok naar zich toe.



 


[kader]



HET RAADSEL VAN DE GARUDA



Wie vliegt er als een dolk


door de wolken en mist nooit


zijn doel, de omtrek van een engel?


De vreemde vogel Garuda!



Hoger dan de hitte en honger,


likken zijn vleugels als tongen


de onlesbare dorst van de sterren,


de donkere vogel Garuda!



Wie gaat er als een briefopener


door de bloedende luchtpost heen


van zonsopgang en van


zonsondergang?


De blinkende vogel Garuda!



Wie droomt er als een bioscoop


van een leven als een film


- Escape from Alcatraz - ?


De gevangen vogel Garuda!



Klein als de deurklink van


een donkere kamer hangt hij


in de hoge hemel te kijk,


de ongrijpbare vogel Garuda!



Wie weet heeft hij zijn nest


wel gemaakt in je hoofd


bij gebrek aan een boom,


die verzonnen vogel Garuda!



Harry Mesterom