Redactie Binnenland: Papoea-Nieuw-Guinea

‘We zijn gevangenen in ons eigen land’

REDACTIE BINNENLAND PAPOEA-NIEUW-GUINEA

Beurtelings zijn Groene-redacteuren een aantal weken de gast van een Oegandees dagblad, een Kazachse krant of een Vietnamees weekblad. Vanaf de Redactie Binnenland berichten ze over het dagelijks leven ter plekke. Deze week de vijfde aflevering rondom het weekblad The Independent in Papoea-Nieuw-Guinea.

In Papoea-Nieuw-Guinea is de politiek te lucratief. Parlementsleden krijgen geld om ontwikkelingswerk te doen maar denken alleen aan hun eigen belang. Toch zou ‘PNG’ met een goede planning het rijkste land van de Derde Wereld kunnen zijn. Als alle grondstoffen niet in handen van buitenlanders waren.

RABAUL (Papoea-Nieuw-Guinea) — Sir Paulias Matane staat ons met zijn kleinzoontje op te wachten op het nieuwe vliegveld van Rabaul — het oude vliegveld is in september 1994 verwoest toen twee vulkanen tegelijk tot uitbarsting kwamen en de stad Rabaul en de naaste omgeving in en onder de as legden. Sir Paulias is gekleed in een laplap, een strak bruin rokje, met daarboven een geruit overhemd. Hij kijkt me zorgelijk aan, want er is een probleem. Ik ben helemaal naar New Britain, een van de grootste eilanden van de staat Papoea-Nieuw-Guinea gevlogen om hem te interviewen over de verwording van de politiek in dit land na 25 jaar onafhankelijkheid. Maar er is een neef van zijn vrouw overleden en hij moet als echtgenoot van een naast familielid een aantal verplichtingen vervullen bij de begrafenisceremonie in het naburige dorp.


Het is eigenlijk geen probleem. Wij gaan graag mee naar de plechtigheid om te zien hoe Sir Paulias daar functioneert. Een belangrijke reden om naar hem toe te komen is dat hij hier in de jaren dertig in een toen nog volkomen traditionele stammengemeenschap is opgegroeid, compleet met mannenhuis, het geheime Toeboean Genootschap, zware initiatieriten voor jongetjes, het harde leven in de jungle en een voortdurende strijd tussen vijandige stammen. In het boek dat hij over zijn kindertijd schreef vertelt hij dat hij pas eind jaren dertig, toen hij ongeveer tien was, voor het eerst een blanke zag, een streng protestantse zendeling. Direct daarop kwam de Japanse bezetting en maakte hij de gevechten van de Tweede Wereldoorlog mee. Pas toen hij zeventien jaar was ging hij voor het eerst naar school, maar hij leerde heel snel en hij maakte, eerst onder de Australiërs, later in het onafhankelijke Papoea-Nieuw-Guinea, carrière in het onderwijs en daarna als hoge ambtenaar. In 1985, nog geen 55 jaar oud, trok hij zich samen met zijn vrouw Kaludia plotseling terug in zijn kleine dorpje op New Britain. Daar schrijft hij nu zijn boeken en vele artikelen in de dagbladen, hij maakt er zijn wekelijkse televisieprogramma, hij heeft een autoverhuurbedrijf en hij neemt deel aan de rituelen in zijn dorp.


Dat kan om een dansfestijn gaan — Sir Paulias is met zijn zeventig jaar nog altijd trots op zijn prestaties als traditioneel danser — of om de rituelen van het Toeboean Genootschap, waarvan de buitenwereld alleen de volledig met bladeren overdekte en gemaskerde figuren kan zien en waarvan de geheimen nog altijd zo geheim zijn dat Matane ons er niets over wil vertellen. Het kan gaan om een huwelijk, om compensatieproblemen voor landeigenaren of, zoals nu, een begrafenis. Zoals overal in Papoea-Nieuw-Guinea zijn wij daar als buitenstaanders hartelijk welkom. We zien kostbare planten en kunstige bloemstukken die voor de dode zijn aangedragen. Een oude man slaat met een grote stok op een uitgehold stuk boom: de ‘sprekende trommel’ die van ver mensen naar de begrafenis roept.


Of eigenlijk is de echte begrafenis al voorbij. De honderden mensen — mannen, vrouwen en veel kinderen — komen voor het ritueel daarna; ze zitten urenlang op verse bananenbladeren in de zon en wachten tot familieleden van de dode de enorme hoeveelheden schelpengeld uitdelen: piepkleine schelpjes die aan houten draden zijn geregen en weer tot grote rollen samengebonden. Op New Britain wordt dit schelpengeld nog daadwerkelijk gebruikt en het is niet lang geleden weer erkend als officieel betaalmiddel. Hoe meer er wordt uitgedeeld, hoe groter eer de dode wordt bewezen en hoe machtiger ook de gevers zich betonen. Het is geen droevige plechtigheid, meer een soort spel wie de meeste schelpen mee naar huis neemt. Maar niemand gaat met lege handen weg. Ook degenen die hebben uitgedeeld krijgen wat schelpengeld terug. Dat is een van de plichten die Sir Paulias Matane moet vervullen. En verder zingt hij aan het slot van de plechtigheid met luide stem de christelijke hymnen mee en neemt hij deel aan het slotgebed. De oeroude tradities zijn ook hier ingepast in een christelijk ritueel.



IK HAD GEDACHT dat Sir Paulias — hij is in naam van de koningin van Engeland in 1986 door de gouverneur-generaal van Papoea-Nieuw-Guinea geridderd en in dit land een zeer geletterd man, een tv-persoonlijkheid en een veelgelezen publicist — zulke traditionele rituelen enigszins ironisch zou vervullen, met een knipoog. Hij heeft immers ook een boekje samengesteld met Papoea-Nieuw-Guinese grappen (Laughter made in PNG), maar zoals die grappen tamelijk moeizaam en serieus zijn, zo was ook zijn optreden tijdens deze plechtigheid ernstig en gemeend. Als ik hem later vraag hoe hij erin slaagt het moderne leven en de tradities in zijn dorp te combineren, heeft hij daar een eenvoudig antwoord op: ‘Ik moet in de allereerste plaats mezelf zijn. Ik hoef niemand anders te zijn. Ik ben erg gelukkig dat ik in dit dorp ben opgegroeid. Ik ging pas naar school toen ik zeventien was, dus de eerste zestien of zeventien jaar van mijn leven heb ik alle dingen kunnen leren die in dit dorp belangrijk zijn en ik heb het daar ver in gebracht. De wijsheid van het dorp komt me van pas. Ik heb hier van mijn oom bij het jagen op de wilde varkens in de jungle geleerd hoe je je doelstellingen vast moet stellen en hoe je dan moet bedenken hoe je die kunt bereiken. Dan moet je het ook nog uitvoeren en ten slotte moet je datgene wat je doet steeds herzien vanwege de omstandigheden die steeds weer veranderen. Je moet weten wat je wilt vangen en goed plannen hoe je dat gaat doen, je moet er bijvoorbeeld voor zorgen dat je honden hongerig zijn en niet te vadsig. En dan moet je er gewoon opaf gaan met je pijl en boog.


Veel van datgene wat je in het dorp leert is karaktervormend. Neem bijvoorbeeld de initiatie van de jongens, daar gaan weken overheen en je gaat steeds een niveau hoger. Eerst zit je vooral in het mannenhuis bij het vuur en je luistert naar de verhalen, eindeloos lange verhalen over moed, over jagen, over het maken van tuinen, het bouwen van huizen. Als je in slaap dreigt te vallen, krijg je een pak slaag of zwaaien ze een brandende tak boven je, zodat de vonken op je spatten. En daarna gaat het erom dat je die verhalen zelf in de praktijk brengt. Je moet hard werken, voedsel halen en klaarmaken voor tien oude mannen. Soms slaap je 48 uur achter elkaar niet. Dus je wordt eerst geestelijk en dan ook fysiek gevormd. Als je alleen maar het westerse onderwijs hebt gehad, dan is dat niet voldoende. Je hebt de combinatie nodig van een intellectuele vorming en de geestelijke en lichamelijke training die je karakter vormt. Dan ben je sterk en onomkoopbaar.’



DAT IS NU juist het grote probleem in Papoea-Nieuw-Guinea. Er is een enorme corruptie aan de top, die van bovenaf ook steeds meer mensen beneden aan de ladder aantast. Een oude, Australische planter zei tegen mij dat de ellende in PNG is dat de politiek daar te lucratief is. Iemand die geld wil verdienen zet geen bedrijf op maar gaat in de politiek. Elk parlementslid krijgt elk jaar 1,5 miljoen kina (ongeveer 1,2 miljoen gulden) uit de pot met ontwikkelingsgelden. De bedoeling is dat hij daar in zijn kiesdistrict ontwikkelingsprojecten mee entameert. Maar in geen van de dorpen waar ik ben geweest kan iemand me enig productief resultaat laten zien. Hoogstens wordt er een vorstelijke residentie voor de plaatselijke politieke leider gebouwd of een enorm bestuurscentrum aangelegd waar geen enkele behoefte aan bestaat.


Maar het kan nog erger, zegt Sir Paulias Matane: ‘Hoe dichter je bij de top komt, hoe groter de verleiding van het geld is. Daarom staan er zoveel gevallen van corruptie in de krant en worden er zoveel politici van corruptie beschuldigd. Je ziet nu dat de Papoea-Nieuw-Guinezen hun eigen leiders steeds minder gaan vertrouwen. In de dorpen verbaas ik me er vaak over dat de mensen daar heel openlijk over praten. Ze weten niet hoe het allemaal precies in elkaar zit, maar ze zien de rijkdom van de politici en ze zien dat voor henzelf de kosten van het levensonderhoud almaar hoger worden.


De parlementsleden krijgen ieder anderhalf miljoen kina per jaar om ontwikkelingswerk te doen, maar daar bouwen ze geen fabrieken mee. Ze denken niet in termen van werkgelegenheid of hun verantwoordelijkheid voor de gemeenschap. Ze vragen zich alleen maar af waar ze zelf het meeste geld mee kunnen verdienen en daarom beleggen heel veel politici hun geld in Australië. Ik ben een van de heel weinigen die daar openlijk tegen protesteert en ik ben dan ook bij veel mensen helemaal niet geliefd. Toch zijn er in dit land ook veel goede dingen. We zijn bijvoorbeeld rijk aan natuurlijke hulpbronnen, delfstoffen, hout, water, olie en gas. Met een goede planning zouden we in korte tijd het rijkste land van de Derde Wereld moeten zijn. Alleen, veel van onze grondstoffen zijn in handen van buitenlanders. We hebben bijvoorbeeld enorm veel hout, maar zestig procent daarvan wordt gecontroleerd door een grote, buitenlandse onderneming met allemaal aanverwante bedrijven. Wij laten toe dat die onderneming — naar men zegt uit Maleisië — hier onze rijke houtvoorraden komt oogsten en tegelijk onze natuur kapotmaakt, onze rivieren vervuilt, de flora en fauna vernielt. Wij staan er bij en doen niets. We ontvangen maar heel weinig voor de grondstoffen die hier vandaan worden gehaald, maar wat nog erger is: ze worden hier niet tot halfproducten of eindproducten verwerkt. Die moeten we voor veel geld uit het buitenland importeren. Het hout zou hier tot papier voor onze kranten kunnen worden verwerkt, maar dat gebeurt niet. Koffie wordt naar Australië geëxporteerd en daar tot instantkoffie verwerkt, die hier wordt verkocht. Hetzelfde geldt voor de cacao die hier op New Britain groeit: die wordt elders tot chocola verwerkt.


Er wordt hier al jaren gepraat over verwerking van grondstoffen tot eindproducten, maar er gebeurt maar heel weinig. Intussen wordt het technisch beroepsonderwijs afgebroken, heel veel jonge mensen gaan naar de universiteiten en denken dat ze daarna vanzelf een baan zullen krijgen. Maar ze hebben niet geleerd om met hun handen te werken, zodat ze naar hun dorp terug kunnen gaan en daar iets nuttigs doen. Ze hebben leren lezen en schrijven, ze weten van natuurkunde en de wereld, maar ze hebben geen ervaring in het werkelijke leven, ze zijn vervreemd van de traditionele maatschappij, ze wonen in krottenwijken aan de rand van de grote steden, deze hoog opgeleide werklozen, en ze vormen daar bendes rascals die de steden onveilig maken.’



‘WE ZIJN VEEL te afhankelijk van Australië. Alle rijst wordt hier vanuit Australië geïmporteerd. Australische deskundigen beweren dat hier geen rijst kan groeien. Maar onze buurman Indonesië is wel in staat in zijn eigen rijstbehoefte te voorzien. En tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben we hier in opdracht van de Japanners rijst geplant en dat ging heel goed!


Veel mensen hier prefereren blikvoedsel uit het buitenland dat ze in de winkel kunnen kopen boven datgene wat in het dorp kan groeien en een veel hogere voedingswaarde heeft. Door al die frisdranken in blik — Coca Cola kun je overal in dit land uit automaten krijgen — is suikerziekte hier volksziekte nummer één geworden.


Australië geeft ons heel veel geld, driehonderd miljoen Australische dollars per jaar (ongeveer 450 miljoen gulden — ma). Natuurlijk zijn we bang dat ze die hulp stopzetten als we tegen het belang van Australië in zouden gaan. Maar misschien zou het beter zijn om maar een tijdje te lijden en niet zo afhankelijk van Australië te zijn.


We hebben leiders met visie nodig. Ik heb overigens wel vertrouwen in de huidige premier van Papoea-Nieuw-Guinea, Sir Mekere Morauta. Hij is een briljant econoom, een man met veel ervaring als minister van Financiën en als bankier. Hij geniet erg veel vertrouwen in het buitenland. En hij was al rijk van zichzelf toen hij in de politiek ging, dus hij hoeft in elk geval niet corrupt te zijn.’



ENIGE TIENTALLEN kilometers van het dorp van Sir Paulias Matane vond vijf jaar geleden, in september 1994, een dubbele vulkaanuitbarsting plaats. De gevolgen daarvan zijn nog altijd duidelijk zichtbaar. Het centrum van Rabaul, eens een van de mooiste steden van het land, is geheel verwoest en nog niet opgebouwd. Wegen zijn vaak onbegaanbaar. Men wil een nieuw administratief centrum bouwen in het stadje Kokopo, de residenties voor de gouverneur en het administratieve hoofd zijn de eerste gebouwen die zijn aanbesteed. Er zijn bij de ramp maar heel weinig doden gevallen, naar men zegt omdat de bevolking, niet het bestuur, de uitbarsting zag aankomen en op tijd is geëvacueerd.


Erger is dat de verwoesting van Rabaul maar voor een gedeelte het gevolg is van de vulkaanuitbarsting. Een deel van de ramp komt door slecht beleid, de mensen werd verboden terug te gaan naar de stad en hun eigendommen te beschermen, alles werd geplunderd, ook door het leger en de politie, en veel gebouwen stortten pas later in, toen de aslaag op de daken nat en zwaar was geworden van de regen. Enige hoteleigenaars die wel terug konden gaan naar hun eigendom hebben hun gebouwen kunnen redden, en die staan dan ook als enige vrijwel ongeschonden overeind.


Paulias Matane: ‘Veel mensen zouden het liefst terug willen naar de huizen waar ze als kinderen zijn opgegroeid. Ze willen terug naar Rabaul, ook al zie je vanaf daar hoe de vulkaan nog elke dag rook uitblaast. Het is natuurlijk de vraag of je de stad weer op moet bouwen of dat je hem beter kunt verplaatsen. In de Verenigde Staten en Japan zijn steden die bij een aardbeving zijn verwoest wél herbouwd. Maar zij hebben daar de techniek en het geld om dat te doen. De mensen die gevlucht waren kregen een verbod om terug te gaan om hun eigendommen te beschermen, vanwege hun eigen veiligheid. Er kwamen plunderaars uit de dorpen in de buurt, onder het argument dat men zijn spullen zomaar had achtergelaten. Maar ook hier was de politiek minstens gedeeltelijk verantwoordelijk voor de plunderingen. Een van de parlementsleden had de regering om hulp gevraagd en toen die niet kwam zei hij tegen zijn mensen: “Laten we er dan maar heen gaan en onszelf helpen!” Er werd een rijstpakhuis geplunderd op aanstichten van een gekozen leider!


Eens waren we hier onafhankelijk, op dit eiland, dat was voordat de Australiërs kwamen. Maar ook nadat Papoea-Nieuw-Guinea onafhankelijk is geworden, zijn we slaven gebleven — we zijn gevangenen in ons eigen land. De politici delen geld uit om stemmen te kopen en doden daarmee de onafhankelijkheid van de mensen. Die gaan zitten wachten tot er geld komt. Ze eisen compensatie, ze zijn niet meer bereid zomaar iets voor de gemeenschap te doen.


Mijn volgende boek wordt een dieptestudie over Francis Ona, de rebellenleider die op het eiland Bougainville nog altijd een guerrilla leidt. Hij neemt niet deel aan het vredesproces en ik wil hem gaan vragen waarom. Na 25 jaar onafhankelijkheid van dit land is het nodig om te kijken naar de fouten die er zijn gemaakt. Ooit was er hier op New Britain ook een beweging die zich van Papoea-Nieuw-Guinea wilde afscheiden. Misschien willen we dat nog altijd en is het beter om op eigen kracht te vertrouwen.’