Boekwoede

’t Hart

Ik bedoel dat er helemaal geen literaire dingen meer zijn, dus dingen met literatuur, ik bedoel dus nergens meer, ook geen dingen van literatuur, dus van woorden, zinnen en letters, helemaal geen dingen en daar literatuur dus ook niet van. Dat niemand het bestaan van de literaire dingen nog opmerkt omdat ze er niet meer zijn en er nooit waren geweest, totale sprakeloze boekwoede bedoel ik, lettervergiftiging van de literaire dingen. Dat er geen literaire dingprijzen meer zijn: prijsloos ademhalen, dat is lekker ademhalen.
Dat de literaire dingfondsen met ingang van volgende week zijn opgeheven, fondsloos fietsen en drentelen, roepen en vergeten, de fondsloosheid aan de macht, alle regelingen geschrapt, dat er geen enkele woordregeling meer is, dat er geen boekbelangen meer kunnen zijn, dat alle dingen ongegrond en zonder boek zijn. Dan eindelijk toenemende slapeloosheid en ten slotte het boeken loze ontwaken dat op glasheldere dingloze ochtenden plaatsvindt.
Geen boekberichtenjongens van dingen, geen boekenverlies meer en de leeshoogte is tot de grond toe afgebroken, leraren melden het dingloze bestaan, de maandeenheden zijn onderwerp van ongezeggelijkheid. Geen maandeenheden. Maandeenheidgebrek lijden. Geen boekentafels. Nergens meer. Boekenkasten weg, ik heb ze met de dingen weggegooid. Titels ongezien vergeten. Geen handje van literatuur te bekennen. Geen schepdingen meer, geen bekentenissen, geen jongensdroomboek, geen sissers en ploffers, anagram patiënten van de straat gehaald, geen letterverliefdheid. Geen Dichter des Vaderlands. Geen dankwoorden, ik ga er nu alvast bij zitten omdat ik al jaren ding- en boekloos wist te staan. Geen dankwoorden. Geen gedichtencycli, dat er geen boek besprekingen in de verste verte, bedoel ik, te bekennen zijn, nog niet in de dichtstbijzijnde stad. Lezers en lezingen, lezingen over dingen, hupla, weg. Geen gedenkschriften, geen enkele beroemde schrijver of schrijfster gaat ergens praten. Geen Natureingangen. Geen boekbesprekingen, bedoel ik, dat je gaat schuimbekken als je nog boekbesprekingen leest, dat die er ooit waren in de destijdsheid. Met de dingen weggelopen. Dat je zelf helemaal gaat schuimbekken van zuivere woede over letters, komma’s en boeken. En dan voorgoed slapeloos. En later ontwaken. Geen enkel leesplezier, van achteren niet en niet van voren. Leesplezierangst totaal opgeheven. Geen eerste zinnen meer van boek besprekingen. Geen slotzinnen. Alleen nog de zuiver ontwakende woedebuien. Dat je ontwaakt zonder letters en dingen. Woedebuien zijn zuiver als ze papierloos zijn, zij zijn de zuiverste verwenners. Zonder letters. Letterloze dronkenschappen, dat je geen beelden ervoor hebt. Ook geen beelden daarvoor en daarvoor ook niet. Dat je dus geen beelden weet omdat je woedend wil gaan worden. Kaftloze woedebuien.
Wakker geworden zonder verbeelding. Ik heb zonder verbeelding een caravan en een deur aan de woedebui gekregen. Eindelijk woordloos trams van de rails gegooid. En nergens verslagen te vinden. Rapportloos gekeken. Boekloos door straten kijken en dan ontwaken. Volkomen woedend en slapeloos. Boekloze hemelen. Titelloze nachten. Voor eeuwig en eeuwig. De gedichten en de dingen zonder meer verdwenen, hier te beginnen. Voor eeuwig. Gered. Eindelijk gered, dat bedoel ik. En de slapeloosheid daalde neer over de stad en ze ging de huizen binnen en ze verscheen in alle hoofden van alle dromers en ze maakte de allerzuiverste letterloze woedebui. Dat bedoel ik. Slapeloosheid en ontwaken.