De tien grootste problemen

9: De afstand tussen jong en oud

‘In de jaren zestig zette de jeugd zich af tegen de burgerlijke wereld van de volwassenen. Nu lijkt sprake te zijn van een omgekeerd generatieconflict: de volwassenen zetten zich af tegen de jeugd’

Jo Hermanns, hoogleraar pedagogiek, Universiteit van Amsterdam

Medium 9

ALS ENIGE wetenschapper heeft Maarten Hajer zijn probleem vervat in een kaartje. Dat valt misschien te verwachten van een directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving, maar het is een voorbeeld dat navolging verdient. In één oogopslag wordt duidelijk dat Nederland een probleem gaat krijgen met de beroepsbevolking. De krimp in grote delen van het land gaat de groei in de Randstad ver overtreffen.

Hajer schrijft: ‘Dat gaat veel sneller dan velen denken en dat gaat tot fricties leiden. Wanneer er een lerarentekort ontstaat, neemt de kwaliteit van het onderwijs af. Tekorten in de verzorging betekenen dat we niet meer weten wie de billen moeten lappen van de hoogbejaarden. Het is daarom van belang om snel anders te gaan denken over de uitvoering van allerlei maatschappelijke taken. Kunnen vele comfortabel gepensioneerde leerkrachten worden bewogen om in ieder geval nog een paar dagen in de week voor de klas te blijven staan? Kunnen we zorgtaken beter organiseren door clustering?’

Gezien de krimp hoeven we ons over werkloosheid in de toekomst geen zorgen te maken, zegt Hajer. Maar wie vandaag zijn baan verliest en ouder is dan vijftig, heeft wel degelijk een probleem. Dat punt maakt de Amsterdamse hoogleraar toegepast economisch onderzoek Jules Theeuwes. Om als oudere werknemer langer aan de slag te blijven, moet je eerst een fatsoenlijke betrekking hebben. Theeuwes schrijft: 'De babyboomers die, nog voor de komst van de pil, in de periode 1950-1960 zijn geboren, gaan tussen 2015 en 2025 met pensioen. Maar de arbeidsmarkt voor deze leeftijdsgroep bestaat niet. Minder dan de helft van de mensen in de leeftijdsgroep 55-64 heeft een baan. Als ze werken, wordt nauwelijks in hen geïnvesteerd. Ze zitten meestal al enige jaren aan het eind van hun loonschaal. Ze hebben geen enkele prikkel om de huidige baan te verruilen, en werknemers met goede banen in die leeftijdsgroep zitten als het ware vast in gouden kooien. Als ze niet werken, komen ze niet of nauwelijks aan de bak.’

Medium milo9

Ze benaderen het uit een verschillende hoek, maar in feite betogen Hajer en Theeuwes hetzelfde: ouderen zullen langer moeten doorwerken, in welke vorm dan ook. Daar zijn we dan mooi laat mee, zou socioloog Han Entzinger zeggen. Het ergert hem dat we de vergrijzing veel langer hadden kunnen zien aankomen, maar dat waarschuwingen in die richting simpelweg werden weggewuifd. Entzinger: 'Als het eenmaal zo ver was, zou de samenleving zich als vanzelf aanpassen. Mensen zouden wel inzien dat langer werken noodzaak is en tilmachines zouden verpleegkundigen gaan vervangen. Toegegeven, bejaarden van nu zijn anders dan hun ouders en grootouders op dezelfde leeftijd waren, maar ze zijn zeker niet minder veeleisend - integendeel.’ Hoog tijd dus, oppert Entzinger, om de vergrijzing nadrukkelijker op de agenda te plaatsen. Dat hoeft nog niet te betekenen dat ouderen dan ook in alles hun zin moeten krijgen, voegt de Delftse econoom Alfred Kleinknecht daaraan toe. Hij noemt het voorbeeld van de pensioenen, die onvermijdelijk zullen achterblijven, omdat pensioenfondsen in de komende jaren structureel lagere rendementen zullen boeken als gevolg van het wereldwijde spaaroverschot. Is dat erg? vraagt Kleinknecht: 'We moeten dus genoegen nemen met minder - maar so what? De gepensioneerden zijn zo welvarend in Nederland. Wat doet het ertoe als het wat minder wordt?’

Een ander relativerend geluid komt van de Leidse politieke wetenschapper Herman van Gunsteren. Hij is een van de weinige ondervraagden die het opneemt voor de jeugd - in plaats van voor de ouderen. Van Gunsteren schrijft: 'De dringendste maatschappelijke kwestie lijkt mij of jongeren zich maatschappelijk welkom voelen.’ En dat is kennelijk geen vanzelfsprekendheid.
Maar voorzover veel andere wetenschappers zich zorgen maken over jongeren, gaat dat niet over de jongens en meisjes zelf, maar over de stand van het onderwijs. Daarover leeft veel ongenoegen.

Jouke van Dijk, hoogleraar regionale arbeidsmarktanalyse in Groningen, stoort zich bijvoorbeeld aan de middelmaat in het onderwijs. Hij schrijft: 'Uit de jaarlijkse Pisa-cijfers van de OESO blijkt dat de relatieve onderwijspositie van Nederland verslechtert. Juist de zwakke leerlingen en de middenmoot in Nederland scoren beter dan in andere landen, terwijl de uitblinkers het relatief minder goed doen. Maar excellentie in het onderwijs en onderzoek is essentieel voor een dynamische kenniseconomie die onze internationale concurrentiekracht kan versterken.’

Niet enkel de bovenkant, ook de onderkant van de samenleving wordt door ons onderwijs slecht bediend, vindt Van Dijk. Anderhalf miljoen mensen kunnen slechts met moeite lezen en schrijven, waardoor ze minder goed functioneren op hun werk en in de samenleving. Goed onderwijs heeft niet alleen economische maar ook sociale baten, betoogt Van Dijk.

De Groningse hoogleraar formuleert zijn kritiek nog mild vergeleken bij collega Jean Tillie van de UvA. Deze spreekt ronduit van 'de totale afbraak van het onderwijs en de resulterende ondermijning van de internationale concurrentiepositie zowel economisch als wat betreft kennisontwikkeling’. Nederland predikt de kenniseconomie, maar is zo ongeveer het enige Europese land dat op onderwijs bezuinigt, schrijft hij. Zowel linkse als rechtse politieke partijen hebben in de afgelopen jaren geld aan het onderwijs onttrokken. Tillie: 'Het nieuwe beleidsvoornemen om universiteiten te straffen als studenten niet binnen vier jaar afstuderen is zelfs de krankzinnigheid voorbij. Het is als het straffen van ziekenhuizen als er mensen sterven. Het is de ultieme domheid aan de macht.’

Toch zou Tillie’s collega Sjoerd Karsten, hoogleraar onderwijskunde aan dezelfde UvA, het accent anders leggen. De dreigende concurrentie uit Aziatische landen zet ons onderwijsniveau onder druk. We zullen daar hoe dan ook een antwoord op moeten formuleren, meent Karsten. Herman van de Werfhorst, hoogleraar sociologie aan de UvA, plaatst eveneens een relativerende opmerking. Hij hoont de enorme expansiedrift in het hoger onderwijs, die ertoe moet leiden dat de helft van de scholieren een diploma hoger onderwijs gaat halen. Die expansie is helemaal niet nodig, meent Van de Werfhorst. 'Bovendien zouden we de streefcijfers van minimaal vijftig procent hoger onderwijs al lang bereikt hebben als we Amerikaanse appels met Nederlandse appels zouden vergelijken. Immers, wat in Amerika meetelt als hoger onderwijs zijn de community colleges, die in allerlei opzichten vergelijkbaar zijn met Nederlandse vierjarige mbo-opleidingen.’ Telden we die erbij, zoals de Amerikanen doen, dan zouden we al aan een participatiegraad van meer dan zestig procent zitten, zegt Van de Werfhorst. 'Verdere expansie is niet nodig omdat dit het onderwijs alleen maar meer een “positioneel goed” maakt waar onderwijs steeds minder gebruikt wordt als selectiemiddel voor bepaalde vaardigheden.’

Dat betekent nog niet dat de overheid probleemloos kan gaan snoeien in de uitgaven voor de jeugd, vindt althans Barbara Vis, politicoloog aan de Vrije Universiteit. Zij deed uitgebreid onderzoek naar het belang van kinderopvang in de opvoeding van jonge kinderen. Goede crèches en andere voorzieningen kunnen het lage kindertal in Nederland mee helpen opkrikken. Dat is belangrijk, stelt ze, vanwege de vergrijzing. Ze raadt de politiek aan daarmee niet te lang te wachten. Want hoe ouder het electoraat wordt, hoe meer moeite het krijgt om geld uit te trekken voor voorzieningen voor de jeugd. En voor haar staat vast: de rol van de verzorgingsstaat daarin is onmisbaar.

Hoogleraar pedagogiek Jo Hermanns van de UvA is juist aanzienlijk minder enthousiast over de intensieve bemoeienis van (door de overheid gefinancierde) professionals met onze jeugd. Hij waarschuwt dat de opvoeding dreigt te psychopathologiseren. 'Problemen in de opvoeding, zoals die al millennia lang tot het gewone leven behoren, worden steeds meer gezien als iets waar ouders, leerkrachten en burgers in het publieke domein geen verstand meer van hebben. Er moeten dus deskundigen ingeschakeld worden. ADHD en autistische stoornissen zijn tot het speelpleinvocabulaire gaan behoren. Zo heeft op dit moment ongeveer één op de zeven kinderen en jongeren een formele indicatie voor speciale zorg of speciaal onderwijs. Dit aantal staat in geen enkele verhouding tot het aantal psychische en gedragsstoornissen dat op basis van epidemiologisch onderzoek in Nederland voorkomt. Het gevolg voor veel van deze kinderen en jongeren is een leven dat voor een groot deel door behandeling en zorg gedomineerd wordt.’

Dit is vooral gevaarlijk omdat de psychopathologisering de deelname van jongeren aan het gewone leven in de weg staat, meent Hermanns. Hij schrijft: 'Ongeveer zeven procent van de jongeren komt op dit moment in langdurige uitkeringsafhankelijkheid, veelal afkomstig uit milieus met lage inkomens en een laag opleidingsniveau. Dit betekent nogal wat voor de economie van een vergrijzende samenleving.’

In Hermanns’ bijdrage weerklinkt de echo van de zorg van politicoloog Van Gunsteren om de maatschappelijke receptie van de jeugd. Hermanns schrijft: 'In de jaren zestig was er sprake van een generatieconflict. De jeugd zette zich af tegen de burgerlijke wereld van de volwassenen. Nu lijkt er sprake te zijn van een omgekeerd generatieconflict: de volwassenen zetten zich af tegen de jeugd en zetten deskundigen in de zorgsectoren in om de jeugd mores te leren. Dit alles vindt plaats met de beste bedoelingen. De jeugd heeft echter niets aan goede bedoelingen. De jeugd moet opgevoed worden. Daar zijn ouders, leerkrachten en andere burgers voor. En dat kunnen ze best.’

Een originele bijdrage komt van de Amsterdamse socioloog Jan Willem Duyvendak. Hij schrijft niet over de kloof tussen jong en oud, of tussen elite en volk, maar over de grote afstand tussen man en vrouw - meer specifiek over het probleem van de mannelijkheid.

Hij schrijft: 'Mannen creëren sociale problemen - vooral mannen die denken dat ze erg mannelijk moeten zijn (en hoe onzekerder ze over hun mannelijkheid zijn, des te meer problemen ze veroorzaken). Als “echte” mannen mogen ze als hooligans uit hun dak gaan, als corpsballen tijdens de ontgroening alle grenzen overschrijden, als automobilisten de snelheidslimiet aan hun laars lappen. Ze verdwijnen van school als het hun niet bevalt, ze slaan erop als ze niet hun zin krijgen, ze plegen eindeloze reeksen kleine en grote misdrijven, ze verdienen als loverboys hun geld, ze raken verslaafd, ze gaan zwerven en ga zo maar door.’

Duyvendak is ronduit geschrokken van de sociale impact van wat hij krampachtige mannelijkheid noemt. 'Toen wij onderzoek begonnen naar motieven van daders van antihomoseksueel geweld, had ik nooit verwacht dat de conclusie zou luiden dat opgefokte mannelijkheid de belangrijkste veroorzaker van “potenrammen” zou zijn. Maar het was wel zo: de “onmannelijkheid” van homoseksuelen was voor door ons geïnterviewde Amsterdamse middelbare scholieren, voetbalhooligans, militairen, Marokkaanse Nederlanders en corpsballen het grote probleem. Voor al deze groepen gold dat homo’s verachtelijk waren omdat zij “vrouwelijk” gedrag vertoonden, de grootste zonde die een man kan begaan.’

Dit is niet louter het probleem van jongens uit een bepaalde leeftijd, uit een bepaald milieu of met een bepaalde geloofsovertuiging, zegt Duyvendak. 'Het betreft allochtoon en autochtoon, laag- en hoogopgeleid, jong en oud, hetero en zelfs homo.’ En het is niet slim, want mannen en jongens zetten zichzelf op deze manier buitenspel. Duyvendak: 'Op den duur zullen vrouwen onherroepelijk door resterende glazen plafonds heen breken en de machtige posities, nu veelal nog bekleed door mannen, gaan innemen. En daarmee wordt het probleem van mannen en mannelijkheid alleen maar groter.’