9. de kerkhoftoeriste

‘Op reis is mijn eerste vraag altijd: waar is het kerkhof? Daarmee bedoel ik niet de moderne rechttoe-rechtaan begraafplaatsen, met de kadavers keurig in het gelid onder netjes aangeharkte zoden. Het liefst vertoef ik op die oeroude, parkachtige dodenakkers vol scheefgezakte tombes, verstilde hoekjes en slingerpaadjes tussen verweerde bomen en struiken, geurend naar onkruid en klimop die zich slingert van zerk tot zerk. Daar dwaal ik rond of lees wat poezie, van Slauerhoff of Jotie ’t Hooft, gezeten op een tombe. Nergens anders als daar raak je zo onder de indruk van je eigen vergankelijkheid.

Elke dag kijk ik uit naar de overlijdensadvertenties in de krant. Hoe prachtig zijn niet sommige formules van de nabestaanden: “Toen de zon opkwam is, voorzien van de zalving der zieken, in de mantel van onze lieve Vrouwe ten hemel gedragen…” Of de ontroerende eenvoud waarmee Connie Palmen berichtte over haar Ischa: “Mijn man is dood.” Die knip ik uit en koester ik. De mooiste exemplaren heb ik vorig jaar verzameld in mijn boekje Liever geen bloemen. Wie goed leest, merkt dat ze behalve droefenis vaak ook veel hoopvols bevatten: “Wij ontmoeten elkaar weer. Tot ziens in de hemel.” Vaak benijd ik de mensen die dat denken. Ik wilde dat ik zo'n sterk geloof had. Dat heeft veel te maken met mijn vader. Hij was een moeilijke man. Een van de eerste Enschedese katholieken die in de jaren vijftig publiekelijk van hun geloof afvielen. Daar heeft hij mij, mijn zusje en mijn moeder veel leed mee bezorgd. Iedereen geloofde, behalve wij. Vader zei: vraag je leraar eens hoe dat zit met die engelen die op een wolk met hun bazuintjes zitten te schallen? En dat deed ik dan. Want vaders wil was wet.
Zijn graf heb ik ook pas tien jaar na zijn dood bezocht. Het is raar hoe iemands sterke fysieke aanwezigheid je al die tijd kan benauwen. Maar dat is voorbij. Daar heb ik nog een haiku op gemaakt: In de elfde lente naderde ik het
onbeschaamd mijn vaders graf Nu plant ik er alles op wat hij maar mooi zou hebben gevonden. Mensen zijn aardig voor de doden, omdat ze ons eigen succes niet meer in de weg staan. Ik beschouw het nu als mijn opdracht om iedereen ook het mooie van de dood te laten inzien.
Ondanks het feit dat ik niet in de hemel kan geloven, benauwt de wetenschap dat ik er vandaag of morgen uitstap mij niet. Dan wordt ik een met het onkruid en nadat de maden mijn beenderen hebben kaalgevreten, mogen ze me ruimen. Voordat mijn naam is overgroeid met rendiermos. Gelukkig is het nog niet zover. Ik wil nog zoveel doen, nog zoveel graven fotograferen. Na mijn reizen door Zwitserland, Malta, Egypte en Zuid-Afrika staat nu de dood in Marokko op mijn verlanglijstje.
Maar als het dan toch zover is, wil ik een simpele steen. Over het grafschrift twijfel ik nog. Ik denk nu dat ik mij zal beperken tot J. C. Bloems woorden:
Voorbij, voorbij, o!
en voorgoed voorbij.
Woorden van spijt of geluk, ik weet het niet.’