9. de martelgang van knut hamsun

In hetzelfde nummer van Aftenposten waarin van de capitulatie van de Wehrmacht in Noorwegen kond werd gedaan, stond een verbijsterende bericht van Knut Hamsun. ‘Ik ben niet waardig bij het herdenken van Hitler mijn stem te verheffen. Hij was een strijder, een strijder voor de mensheid, en een verkondiger van het evangelie van het recht van alle volken.’

Het was de superbe, hoovaardige tegendraadsheid van de 86-jarige Knut Hamsun die hem deze woorden liet opschrijven over hem, die toen het meest van allen op aarde werd vervloekt. Zelf had hij de vijf jaar van de oorlog vooral doorgebracht met rondscharrelen op zijn landgoed Norholm, waar zijn vrouw Marie hem maandenlang in eenzaamheid achterliet, zelf op nazipropagandatochten door Duitsland trekkend.
Knut Hamsun, winnaar van de Nobelprijs 1920 voor de roman Hoe het groeide, was toen al stokdoof. Hij bracht de avonden door met patience spelen. De enige kranten die hij las waren die van de pro-Duitse Noorse pers. In 1943 wist hij nog niet eens dat Duitsland ook Amerika de oorlog had verklaard. In datzelfde jaar bezocht hij Duitsland. Hij kreeg belet bij de Fuhrer, die zijn gebruikelijke monoloog wilde gaan afsteken. Tot zijn verbijstering werd hij onmiddellijk door Hamsun onderbroken en moest hij een kwartierlang diens requisitoir aanhoren: ten eerste had Hitler een heel verkeerde stadhouder in Noorwegen aangesteld, Terboven. Die moest terstond worden afgezet en vervangen door een Noors-gezinde vertegenwoordiger. Ten tweede moest er een eind komen aan de door Terboven verordonneerde willekeurige gijzelingen en executies van verzetsmensen en opstandige studenten. Hitler verschrompelde - en beval daarna Hamsun nooit meer tot hem toe te laten - en Hamsuns mythe van Hitler als grote, charismatische Europeaan stortte ineen.
Hamsun werd daarna nog ontvangen door Goebbels, die een campagne voerde waarin het werk van Hamsun aan alle bloed-en-bodemschrijvers als het allerhoogste werd voorgehouden. In de Noorse kranten werd de mare verspreid dat Hamsun door Hitler was gefeteerd en dat Hamsun zijn geloof in het nazisme had beleden. Dat en het feit dat zijn vrouw Marie werkelijk naziste en lid van de Quisling-partij was en zijn zoon aan het Oostfront streed, wierp voor de loyale Noren een slagschaduw over hun literaire wereldwonder.
Pas eind mei kreeg Hamsun huisarrest; half juni werd hij overgebracht naar een bejaardentehuis. Het plan was hem ontoerekeningsvatbaar te laten verklaren. Sommige kranten publiceerden al over zijn zelfmoordpogingen. Maar Hamsuns geestkracht bleek ongebroken. In de afzondering van het bejaardentehuis nam hij zelfs zijn sedert 1935 neergelegde literaire pen weer op. Terwijl zijn omgeving zich onvoorstelbaar aanstelde - de zusters weigerden zijn post weg te brengen, kinderen mochten hem niet helpen bij het wandelen, sommige Noren kwamen speciaal naar het bejaardenhuis om zijn boeken over de muur te gooien: ‘Hier ouwe verrader, heb je je boeken terug!’ - beschreef Hamsun de achterkant van kalenderbladen. Het werd zijn laatste en zijn aangrijpendste boek: Langs overwoekerde paden. Daarin schreef hij herinneringen neer, filosofeerde hij over het geluk van kleine, dagelijkse dingen, verzoende hij zich met ouderdom en gebreken en bereidde hij zich voor op zijn proces. Hij wist dat het komen moest en hij wilde zich rechtvaardigen zonder een lucifertje dat krom was recht te praten.
Hamsun zat een halve dag in de ijskoude trein onder strenge bewaking, zonder voedsel of drank - en kwam aan bij de psychiatrische kliniek waar hij aan eindeloze verhoren werd onderworpen. Ook over zijn literaire leven, zijn invloeden, zijn liefdesrelaties. In de protocollen is geen schrijversnaam juist gespeld, de psychiater wist nauwelijks met wie hij te maken had. Hij liet buiten Hamsuns medeweten zijn vrouw Marie, die in detentie zat - en drie jaar dwangarbeid zou krijgen - overkomen en onderwierp haar eveneens aan verhoren. Met een zekere graagte sprak ze zich uit over hun strindbergiaanse huwelijk. Ze stelde het voor alsof hij haar had overgehaald tot het nazisme, in plaats van andersom. Ze had het uitvoerig over zijn gierigheid, zijn drankzucht en zijn jaloezie. Pas toen Hamsun er toevallig achter kwam wat Marie had gezegd, stortte hij in. Nimmer wilde hij haar meer zien.
Toen men hem wel toerekeningsvatbaar maar bij vlagen niet geheel bij zijn verstand verklaarde - het gezag wilde eigenlijk het proces waar kranten zo op aandrongen, voorkomen - drong Hamsun zelf aan op een proces. Hij wist dat hij niet meer zou worden veroordeeld tot gevangenisstraf; er kon nog slechts een boete uitkomen.
In geen land zijn na 1945 de collabo’s zo hevig vervolgd als in Noorwegen. Er kwamen 30.000 processen en een ieder die een blauwe maandag lid was geweest van de Quislingpartij kreeg een boete opgelegd. Hamsun is nooit lid geweest van de Quislingpartij en riep nimmer op naar het Oostfront te gaan. Wel heeft hij veertien deutschfreundliche artikelen gepubliceerd, maar dat deed hij ook al in 1914-1918. Van zijn omzwervingen door Amerika - waarover hij Over het geestesleven in het moderne Amerika schreef - had hij een intense haat overgehouden aan het kapitalisme en modernisme; hij zag de Angelsaksische geest als de grootste verderver van menselijkheid en solidariteit. Tijdens zijn vele banen - schaapherder, stoker, tramconducteur, meubelmaker, houthakker, visser, matroos, kolentremmer, steenhouwer, slaapwagencontroleur, secretaris van een godsdienstige sekte - had hij bittere levenservaringen opgedaan. Toen hij in 1890 het manuscript waarmee hij beroemd werd - dat van Honger - aanreikte aan de criticus Brandes, schreef deze: 'Een erger verloederd figuur heb ik nooit eerder ontmoet. Niet alleen waren zijn kleren enkel lompen. Maar dat gezicht!’
Voor de eigenzinnige, boerse, autarkische Hamsun telde maar een ding: het eigen land, de eigen natie, het eigen erf. Hij was een dwarse koning in zijn eigen huis. Misschien sprak het nationaal-socialisme hem even aan omdat ook het leven van Hitler er een was van een outcast en hongerlijder die uiteindelijk geheel op eigen kracht naar macht en roem reikte.
In het hele werk van Hamsun, inclusief brieven en redevoeringen, zijn slechts drie antisemitische opmerkingen te vinden. Voor veel linkse intellectuelen, die hem eerder als pure, revolutionaire schrijver zagen, zoals Tucholsky, viel Hamsun door de mand toen hij zich uitsprak tegen het verlenen van een Nobelprijs aan de door de nazi’s zo gevreesde Osnietsky. Dat was echter geen kwestie van antisemitisme of nazi-gezindheid - Hamsun kon het niet uitstaan dat een journalist zo maar voor wat artikelen de Nobelprijs zou krijgen. Toen Frankfurt in 1933 Hamsun de Goetheprijs aanbood, weigerde Hamsun notabene met de woorden: 'Men kan in een land waar zulke toestanden heersen als tegenwoordig in Duitsland geen 10.000 mark accepteren. Dat zou bloedgeld zijn!’
Het schervengericht van 1948 - pas toen kreeg Hamsun zijn vrijheid terug - veroordeelde de negentigjarige tot de bedelstaf. Hij leed aan steeds meer ouderdomskwalen en stierf in 1952. Wel verzoende hij zich in zijn avondzon nog met Marie. De foto’s van deze twee mensen in hun laatste tuintje bekijkend, grijp ik meteen naar Hoe het groeide, het verhaal van Inger en Isak, de twee mensen die we volgen vanaf hun eerste liefde tot hun ouderdom en graf. 'Dat lange, lange pad, dat over de moerassen en door de bossen loopt, wie heeft dat gebaand? De man, de mens, de eerste die hier kwam. De man is sterk en grof gebouwd, hij heeft een baard, bruinrood als roestig ijzer, en kleine littekens op het gezicht en wonden op de handen. Heeft hij ze bij het werk gekregen en of in de strijd? Hij ziet aan de zon hoe laat het is. Het wordt nacht en hij valt neer in het heidekruid, met de arm onder het hoofd.’