Philip Roth

9. The Human Stain

Philip Roth, The Human Stain (2000)

‘Hij zat vastgeketend aan de geschiedenis, was een werktuig van de geschiedenis’, schrijft Philip Roth over de held van zijn roman American Pastorale. Als geen ander weet Roth de eigentijdse geschiedenis van Amerika te treffen, en als geen ander weet hij daar literatuur van te maken. Het lijkt een open deur, maar straatrumoer en nog nauwelijks verwerkte nationale trauma’s, in de handen van veel schrijvers niet meer dan een bordkartonnen decor, legt hij niet vast als socioloog, maar als romanschrijver. Altijd draait het om complexe, per definitie onkenbare personages, die, hoe allerindividueelst ze ook zijn, een tik krijgen van het maatschappelijk klimaat waarin ze leven. Zo zit ook Coleman Silk, de hoofdpersoon van The Human Stain, vastgeklonken aan de Zeitgeist en hij wordt erdoor vermalen.

The Humain Stain verscheen in 2000, op het breukvlak van twee eeuwen, en dat is meer dan toevallig. De roman is op de huid van de tijd geschreven, hekelt de problemen van de jaren negentig van de twintigste eeuw, om precies te zijn: de uitwassen van de politieke correctheid en de identiteitenpolitiek, en werpt ook de schaduw vooruit naar de 21ste eeuw, waarin de scheidslijn tussen publiek en privé niet meer lijkt te bestaan. Het (zeden)schandaal ligt er permanent op de loer. Na American Pastorale (1997), waarin Roth teruggaat naar de tijd van de oorlog in Vietnam en het radicale linkse verzet daartegen, en het daaropvolgende I Married a Communist (1998), waarin het draait om de heksenjachten van senator McCarthy in de jaren vijftig, speelt The Human Stain in de zomer van 1998, de maanden die vooraf gaan aan de _impeachment-_procedure tegen president Clinton, als het Lewinsky-schandaal op ieders lippen ligt. Samen vormen de boeken losjes een trilogie over het naoorlogse Amerika.

Als er voor Philip Roth iets kenmerkend is voor de modernste tijd, dan is het de zoektocht naar een eigen, onvervreemdbare identiteit. 'That was your singular act of invention’, laat Roth zijn alter ego de schrijver Nathan Zuckerman over Coleman Silk denken, 'every day you woke up to be what you had made of yourself.’

Tot de jaren vijftig werd wie je was nog in sterke mate bepaald door de plaats waar je was geboren, je klasse, religie, ras - sinds de jaren zestig werd je geacht zelf de architect van je ik te zijn. Om dat te bereiken moest je wel eerst de sloophamer ter hand nemen en, pats, de hechte familieverbanden verbreken, en, pats, de geborgenheid van je buurtgemeenschap achter je laten. Dat is zo ijverig gebeurd dat families inmiddels geslonken zijn tot kerngezinnen, vaak nog gebroken ook, en dat de buurten inwisselbare plekken zijn geworden, waar karakteristieke winkels plaats hebben gemaakt voor overal dezelfde Dunkin’ Donuts en Domino’s Pizza. En dat unieke individu, is dat ondertussen veel verder gekomen in zijn pursuit of happiness?

Coleman Silk, 'the greatest of the great pioneers of the I’, is een tragische figuur. Hij heeft het gebracht tot hoogleraar klassieke talen en decaan van Athena College, een kleine school in Massachusetts, maar aan het begin van de roman is hij al uit zijn succesvolle bestaan geschopt vanwege vermeend racisme. Omdat twee studentes na vijf weken nog steeds niet bij zijn les zijn komen opdagen, vraagt hij retorisch: 'Does anyone know these people? Do they exist or are they spooks?’ De studentes blijken zwart te zijn, en 'spooks’ is ook een oud scheldwoord voor negers. De studentes dienen een klacht in. Natuurlijk gebruikte Silk het woord in de betekenis van geesten, fantomen, maar niemand is bereid hem te steunen, waardoor hij gedwongen is ontslag te nemen. En dan sterft ook nog eens zijn vrouw in de weken van turbulentie rond de aanklacht. Coleman is ervan overtuigd dat het schandaal haar fataal is geworden: 'They killed her!’

Aan het begin van de roman staat Coleman briesend bij Zuckerman, de verteller, in de kamer. Hij heeft een boek over de affaire geschreven, Spooks, maar dat is onleesbaar, een echte schrijver moet zich over de materie buigen. Zuckerman laat zich ook sarcastisch uit over de 'extase van schijnheiligheid’, het hypocriete puritanisme van links dat Coleman vermorzelt (later wordt hij ook nog van vrouwenhaat beschuldigd) en dat van rechts dat Clinton aan de schandpaal probeert te nagelen. Maar Zuckerman graaft verder, en ontdekt dat het woord 'spooks’ verband houdt met het grote geheim van Coleman: hij is zelf zwart, heeft met zijn familie gebroken en zich een witte, joodse identiteit aangemeten. 'To hell with that imprisonment’, dacht hij over zijn etnische bepaaldheid. Vandaar dat hij een van de grootste pioniers van het ik is.

Maar wat heeft zijn nieuwe identiteit hem gebracht? Een groot geheim in ieder geval. En de ironie wil dat het moderne ik dan wel geacht wordt zichzelf uit te vinden, maar geheimen zijn taboe in een tijd dat het mensen nauwelijks toegestaan is een privé-domein te koesteren. Net als onwelgevallige sentimenten en meningen taboe zijn. 'Een nieuw wezen worden’, denkt Zuckerman. 'Zich afsplitsen. Het is het drama dat ten grondslag ligt aan het verhaal van Amerika, het grote drama dat komt en gaat - en de energie en de wreedheid waar die hartstochtelijke drift om vraagt.’